Zorgpastores verbinden Jezus’ kruiswoorden met rake verhalen
Of je nu gelovig bent of niet – en welk geloof je ook aanhangt – de broze levensfase kort voor het einde kent een diepe gelaagdheid, waarbij spirituele zorg vaak welkom is. Christelijke zorgpastores begeleiden niet alleen mensen uit hun eigen geloofsgemeenschap. Op een heel open manier rijken ze hun diepmenselijke benadering aan niet- of andersgelovigen aan. Dan komt pas echt de universele draagwijdte van Jezus’ laatste woorden tot uiting.
In ‘Zeven kruiswoorden, verhalen uit de spirituele zorg’ worden ervaringen aan het sterfbed op die laatste woorden gelegd. Het boek is, na een voorwoord van Christophe Vekeman en een beschouwing van ziekenhuispastor Kelly Keasberry, in zeven hoofdstukken opgebouwd rond die woorden:
- Vergeving • ‘Vader, vergeef hen want ze weten niet wat ze doen.’ (Lc 23, 33-34)
- Belofte • ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn.’ (Lc 23, 43B)
- Toevertrouwd • ‘... Zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’‘ (Joh 19, 26-27)
- Waarom…? • ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge Mij verlaten?’ (Mt 27, 45-46 & Mc 15, 34)
- Verlangen • ‘Ik heb dorst…’ (Joh 19,28)
- Volbracht • ‘Het is volbracht.’ (Joh 19, 30)
- Overgave • ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’ (Lc 23, 46)
Onderstaand verhaal komt uit het hoofdstuk Belofte en is van de hand van priester Bert Lodewijckx, die 24 jaar lang ziekenhuisaalmoezenier was in de GZA-ziekenhuizen van Antwerpen. Samen met spiritueel zorgverlener Elke De Greef stelde hij het boek samen op basis van eigen verhalen en die van negen collega-pastores.
Paradijs op aarde
Bert Lodewijckx
Ze leefde duidelijk in de marge van de samenleving, deze moeder van vier. In geuren en kleuren vertrouwt ze me haar levensverhaal toe. Het is een verhaal van gebrokenheid en onmacht, een struggle for life.
Volledig uitgeput kwam ze op de palliatieve eenheid terecht. Ze komt er tot rust en geniet van de warme zorg. Elke zorgverlener geeft ze een eigen koosnaam. Haar wonden raken beetje bij beetje geheeld. En haar dankbaarheid werkt aanstekelijk. Ik voel me welkom.
Hoewel de telefonische contacten met haar familie tijdens haar verblijf op de palliatieve eenheid eerder op scheldpartijen lijken, eindigen ze steevast in wederzijdse genegenheid. Ze was en is nog steeds een toegewijde moeder, een steunpilaar die de familie door alle moeilijkheden heen loodst. Maar haar moederliefde lijkt steeds in strijd met haar onmacht tegenover het leven.
Deze vrouw is sterk praktiserend gelovig en getuigt van een mariale bewogenheid. Ze komt graag naar de wekelijkse eucharistieviering. Op een dag stelt ze volgende vraag: ‘Bert, ben ik al gestorven en in de hemel terechtgekomen? En zijn jullie allemaal engelen?’ ‘Eh, nee’, stamel ik. ‘Je bent nog op aarde… Voelt het hier dan als een paradijs voor jou?’ Ze knikt: ‘Dat ik dit op het einde van mijn leven nog mag meemaken.’
Deze uitspraak raakt me sterk en ik antwoord met een brok in de keel: ‘Laat het hier maar een paradijs zijn voor jou.’ Haar telefoon rinkelt. Het is een van haar kinderen. Meteen wordt ze opnieuw naar de rauwe werkelijkheid getrokken. Ik beeld me de weerstand en het verdriet in aan de andere kant van de lijn. Toch verlaat ik dankbaar de kamer, omdat ik getuige mag zijn van de kracht die deze vrouw op een voor haar paradijselijke plek mag ervaren. Het is haar van harte gegund.

