Patriarch Jeruzalem schrijft aangrijpende pastorale brief over situatie Heilig Land
In een lange pastorale brief, gepubliceerd op maandag 27 april, biedt de Latijnse patriarch van Jeruzalem, kardinaal Pierbattista Pizzaballa, aanknopingspunten om de unieke rol die christenen in het Midden-Oosten ook in oorlogstijd kunnen spelen te heroverwegen. In de brief gaat de kardinaal dieper in op de oorlog in het Heilige Land en stelt hij dat het conflict een tijdperk heeft afgesloten en een nieuw heeft ingeluid, en dat op de slechtst denkbare manier.
De brief van een dertig bladzijden biedt een analyse van de chaos waarin de christenen van het Midden-Oosten zich bevinden en is gericht aan de ‘Kerk van Jeruzalem’.
‘Zo is de situatie waarin we ons bevinden: een woestijn van tranen, berusting en loze woorden, maar tegelijkertijd bewoond door moedige uitingen van vitaliteit en broederschap.’
Met deze woorden zet hij de toon voor een pastorale brief van uitzonderlijke breedte en diepgang. 'Het is in deze woestijn dat we worden uitgenodigd om opnieuw de stem van God te herkennen die ons roept,’ schrijft de Latijnse patriarch van Jeruzalem.
Dit land – zo betwist en zo geliefd – is het thuis van allen: Israëlische Joden en Palestijnse Arabieren, Joden, christenen, moslims, Druzen, …’
Kardinaal Pizzaballa
Het eerste deel van de brief lijkt een situatieschets, maar is ook sterk politiek gekleurd. De kardinaal beschrijft een dubbel trauma: voor de Palestijnen de dramatische climax van een lange geschiedenis van vernederingen en uittochten’; voor de Israëli’s iets ongekends, een heropleving van de gruwelen die tachtig jaar geleden in Europa plaatsvonden.
Pizzaballa: ‘We zijn een periode ingegaan die moeilijk te bevatten is. Wat we meemaken is niet slechts een lokaal conflict, het is het symptoom van een veel diepere crisis, een wereldwijde omwenteling. De internationale rechtsorde, gebaseerd op regels, verdragen en wetgeving, lijkt nu verzwakt, zelfs in diskrediet gebracht.’
In dit nieuwe landschap zien we een terugkeer naar het gebruik van geweld als beslissend instrument. Oorlog verandert van status, wordt niet langer vermeden. Integendeel, de oorlog is het object geworden van een afgodische cultus. De verschuiving is zowel moreel als politiek. Bij deze ontwikkeling komen nieuwe vragen, zoals het gebruik van kunstmatige intelligentie in oorlogsvoering: ‘Wat gebeurt er als een machine beslist wie mag leven en wie sterft? (…) Iedereen ziet zichzelf als slachtoffer en herkent het lijden van anderen niet meer. Haat heeft diepe kloven geslagen en leidt tot een pijnlijke ontmenselijking.’
Een instortende economie, uitgestelde bruiloften, emigratie...
De patriarch maakt evenwel ook een onderscheid: ‘Er is een verschil tussen degenen die macht uitoefenen en degenen die eraan onderworpen zijn, tussen degenen die regeren en degenen die geregeerd worden, tussen degenen die wapens bezitten en degenen die erdoor bedreigd worden, tussen degenen die bezetten en degenen die bezet worden. De verantwoordelijkheden zijn verschillend. Het erkennen van dit verschil is een blijk van respect voor rechtvaardigheid en waarheid.’
Met name voor de christelijke gemeenschap is er heel veel veranderd wat betreft economische en sociale structuren. Een instortende economie, uitgestelde bruiloften, een dalend geboortecijfer en een stijgende emigratie. ‘Deze oude wonden [...] gaan vandaag weer open, dieper dan ooit.’
Het geloof zelf wordt volgens de patriarch aangevallen. ‘Wanneer de noodkreet van de lijdenden ongehoord of onbeantwoord lijkt te blijven, is de verleiding groot om het geloof te verliezen, zelfs binnen geloofsgemeenschappen, die de stem van de meest kwetsbaren zouden moeten zijn.’
Hij betreurt groeiende polarisatie.
’We trekken ons steeds meer terug in gesloten groepen, in sociale enclaves waar we alleen omgaan met mensen die dezelfde mening delen, dezelfde taal spreken, dezelfde angsten delen.”
Hij schuwt het pessimisme niet: ‘We hebben het geloof verloren in de woorden ‘samenleven’, ‘dialoog’, ‘rechtvaardigheid’, ‘mensenrechten’, ‘twee volkeren en twee staten’. Deze woorden, die jarenlang ons discours voedden, lijken nu versleten en betekenisloos.’
Tegelijk klinkt er optimisme in de tekst van de patriarch: ‘We zijn voorbestemd om manieren te vinden om samen te leven. Er is geen alternatief. Dit land – zo betwist en zo geliefd – is het thuis van allen: Israëlische Joden en Palestijnse Arabieren, Joden, christenen, moslims, Druzen, …’
'In ons eigen bisdom hebben we katholieken van de Latijnse en Oosterse ritus, van Arabische en Joodse afkomst, afkomstig uit diverse culturen en landen: Filipino's, Indiërs, Aziaten uit andere landen, Latijns-Amerikanen, Afrikanen en Europeanen. We zijn allemaal één familie, geen archipel van eilanden.'
Kardinaal Pizzaballa keert terug naar de centrale vraag: ‘Hoe kunnen we als christenen leven in deze conflictsituatie? Om deze vraag te beantwoorden, verwijst de patriarch naar het afwijzen van geweld, het werken aan onderwijs door de scholen en sociaal hulpbetoon als grote opdracht voor de christenen in de regio.






