De wereld van Boef: ‘De tijd van het hout’ - Jana Wuyts
Ik was met Boef in het bos toen er een felle wind opstak. Nog voor we ons huis bereikten – traag, want Boef was in zo’n bui dat hij aan elke grasspriet wilde snuffelen – hoorde ik een enorme klap. Ik dacht aan een bruusk geloste lading bij de schapenboerderij beneden, maar vlak bij het huis lag er een boom dwars over de oprit. Waren we er enkele minuten eerder geweest …
Elke winter trekken felle stormen over de bergen. Dan vallen de bomen als mikadostokjes. Een vallende boom klinkt machtig, maar ik wil het voortaan enkel nog horen als we binnenskamers zijn.
De gevallenen verzagen we om ze in blokken naar onze houtstapel te dragen, waar ze een jaar moeten drogen. Twee jaar, zeggen sommigen. Mannen, altijd mannen, hebben grote gevoelens omtrent hout. Onder zeil of niet, els of es, de vermeende gevaren van sparrensap voor de schoorsteen. Je kan beter aan iemands vrouw zitten dan aan zijn houtstapel. Dat zei een buurman me ooit.
Een kleine tornado velde vorig jaar zeven bomen in ons bos, maar ze donderden zo diep het ravijn in dat we er nauwelijks bij raakten. Marnix verzaagde er eentje en een jongen uit het dorp hielp ons om hem te verslepen. Hij is vijftien en beresterk, maar zelfs hij gaf het op na één boom.
Ik ben dol op ons vuur. De zoete geur die ik al van ver ruik als ik thuiskom van de wandeling met Boef. Het zijn momenten van intens geluk.
De kachel heeft de toepasselijke naam Godin. Ze is onze enige verwarmingsbron. ’s Avonds, als ze goed brandt, is het broeierig heet in de keuken. In de andere kamers wordt het niet warmer dan veertien graden. Als Marnix ’s nachts wakker wordt, gooit hij een blok bij, maar meestal is het vuur tegen de ochtend gedoofd. De kachel brengt duizelingwekkende hoeveelheden stof mee, en overal in huis vind ik stukjes schors en verdwaalde vuurwantsen die meeliften op de houtblokken. Je poetst je warm.
Lees ook
Vroeger besefte ik niet wat voor een luxe centrale verwarming is. En toch ben ik dol op ons vuur. De vlam in de kachel waar ik blijf naar kijken. De behaaglijke warmte, als een wollen dekentje. De zoete geur die ik al van ver ruik als ik thuiskom van de wandeling met Boef. Het zijn momenten van intens geluk.
Een oude schoolvriend zei me dat zijn buren in zijn straat in Vlaanderen kwaad worden als hij de kachel aanmaakt.
‘Slecht voor het milieu, zeggen ze’, verklaarde hij. ‘Tsja, ze hebben natuurlijk gelijk.’
Van dat schuldgevoel hoeven wij niet al te veel last te hebben. Ons zo verwarmen kost gek veel tijd en werk, maar we onderhouden er het bos mee. Er komt geen vrachtwagen aan te pas.
‘Iemand in onze straat kocht een fijnstofmetertje’, ging de vriend verder. ‘Enkel als de waarden voldoende zijn gezakt, mogen we het vuur aansteken. Jammer, want het zo verdomd gezellig.’
Wat is het gek dat we ons het meest eenvoudige niet meer kunnen veroorloven, en dat het primitieve een luxe is geworden.
• Jana Wuyts (°1981) is copywriter en marketeer. Ze woont en werkt afwisselend in Antwerpen en de Pyreneeën (in Frans-Catalonië). Schreef onder meer drie boeken over Boef, een Spaanse zwerfhond die ze in huis nam. Ga naar haar website.



