Valentinus Paquay, het ‘Heilig Paterke’ van Hasselt [portret]
De Minderbroederskerk is tegelijk bedevaartsoord en toeristische trekpleister. Wie Hasselt bezoekt, moet de grafkapel gezien hebben waar pater Valentinus Paquay (1828-1905) rust. Toeristen nemen de gewijde stilte in zich op, ouders komen een kaarsje branden voor hun studerende kroost, elke bezoeker heeft zijn eigen reden om de bijstand van het heilig paterke te vragen.
Hoewel zijn titel anders doet vermoeden, is pater Valentinus helemaal niet heilig. Hij werd in 2003 door paus Johannes Paulus II wel zalig verklaard, maar de heiligverklaring volgde (nog) niet. Voorlopig is de officiële titel dan ook Zalige Valentinus Paquay.
Vanwaar dan het adjectief heilige?
Kapelletje
Eerst moeten we terug naar de 19de eeuw. Op 17 november 1828 werd in Tongeren Jan-Louis Paquay geboren als vijfde kind en vierde zoon van Henricus Paquay en Anna Neven. Louis groeide op in een groot katholiek gezin met elf kinderen. Zijn ouders leefden eenvoudig en gelovig en die sfeer bepaalde sterk Louis’ jeugd. Als jongen al bracht hij veel tijd door met bidden. Hij had van zijn kamer een kapelletje gemaakt waar hij zich terugtrok, bad en studeerde.
Tijdens zijn schooljaren in Tongeren en later in het kleinseminarie van Sint-Truiden groeide zijn verlangen om priester te worden. Hij voelde zich vooral aangetrokken tot een streng en eenvoudig religieus leven. In 1849 trad hij in bij de franciscanen in Tielt. Bij zijn intrede kreeg hij de naam Valentinus. Een jaar later legde hij zijn geloften af en na verdere studies werd hij op 10 juni 1854 priester gewijd.
Kort na zijn wijding werd hij naar Hasselt gestuurd. Daar zou hij de rest van zijn leven blijven wonen en werken. Hij was verbonden aan het klooster van de minderbroeders en aan de Virga Jessebasiliek. Hoewel hij ook predikte en zieken bezocht, werd hij vooral bekend als biechtvader. Mensen kwamen van heinde en ver om bij hem te biechten. Zijn vriendelijke houding, zijn geduld en zijn diepe geloof maakten grote indruk.
Hij luisterde naar de mensen. Honderdduizend uur zat hij in de biechtstoel.
Valentinus leefde sober. Hij zocht geen aandacht en vermeed alle luxe. Urenlang zat hij dagelijks in de biechtstoel. Volgens de overlevering bracht hij daar meer dan honderdduizend uur door.
In Hasselt begon men hem al tijdens zijn leven ‘heilig paterke’ te noemen, omdat gewone mensen hem zagen als een heilige man. Vooral arbeiders en arme gezinnen voelden zich door hem begrepen. Hij sprak vaak over rechtvaardigheid en kwam op voor mensen die weinig macht hadden.
Op oudere leeftijd ging zijn gezondheid achteruit. Op 1 januari 1905 overleed pater Valentinus in Hasselt op 76-jarige leeftijd. Duizenden mensen kwamen afscheid nemen. Vrijwel onmiddellijk begonnen gelovigen zijn graf te bezoeken om te bidden en hulp te vragen voor hun zorgen en problemen.
De heilige Apollonia is voor tandpijn, de heilige Rita is voor hopeloze zaken. Maar het paterke is voor de probleemkes van iedere dag.
Pater Karel De Wilde, die het proces tot zaligverklaring mee opvolgde, omschreef het belang van Valentinus als volgt: ’De heilige Apollonia is voor tandpijn, de heilige Rita is voor hopeloze zaken. Maar het paterke is voor de probleemkes van iedere dag.’
In 1926 werd het lichaam van pater Valentinus overgebracht naar de grafkapel naast de Minderbroederskerk. Die kapel groeide uit tot een van de bekendste bedevaartsoorden van Limburg. Na een lang onderzoek erkende de Kerk de waarde van zijn voorbeeldige leven. In 1970 werd Valentinus eerbiedwaardig verklaard. Uiteindelijk werd hij op 9 november 2003 door Johannes Paulus II zalig verklaard op het Sint-Pietersplein in Rome.
Pater Valentinus was een eenvoudige franciscaan die door zijn geloof, zijn bescheidenheid en zijn zorg voor gewone mensen uitgroeide tot een van de meest geliefde religieuze figuren uit de Belgische geschiedenis.








