Diaconie en maatschappelijke inzet van de kerk
Diakonia
Het Griekse woord ‘diakonia’ is een omvangrijk begrip. In de Evangelies, het boek Handelingen en de brieven van Paulus gaat het immers over uiteenlopende activiteiten: zorg voor de armen, de weduwen, de wezen en de vreemdelingen, apostolaat, preken, zendingswerk, verkondiging, catechese, huisbezoek en bezoek aan gevangenen en weduwen, die niet kunnen deelnemen aan de samenkomsten van de gemeente. Jezus zegt over zijn ‘diakonia’: “Ik ben niet gekomen om bediend te worden, maar om te dienen” (Mt. 20,28).
In de vroege kerk is de zorg dat niemand van de gemeenschap gebrek lijdt één van de wezenskenmerken. In Hand. 2, 42-47 weerspiegelt het delen van de bezittingen en elkaar steunen ook het ideaal van een broederlijke gemeenschap:
Zij legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed. Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderbare tekenen verricht. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk: ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte. Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst.
In de encycliek Deus Caritas Est (25 december 2005) wijst paus Benedictus XVI op deze passage. Maar hij noemt deze dienst niet diaconie, maar wel caritas. Caritas, liefde, is voor deze paus op de eerste plaats een opdracht voor iedere gelovige, maar ook voor de gezamenlijke kerkelijke gemeenschap. Caritas vraagt om organisatie, wat zich tot op vandaag bij ons weerspiegelt in Caritasinstellingen en een zelfstandige Caritasstructuur met hulpinitiatieven en ondersteuning van lokale projecten (giften).
Voor paus Benedictus XVI is deze dienst van de liefde "voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen” (DCE, 17).
Ambt van de diaken
In het Bijbelboek Handelingen, hoofdstuk 6 lees je dat de eerste gemeenschappen zich zo sterk ontwikkelen dat de apostelen overbelast geraken. Ze kiezen een groep van zeven mannen uit, die “vol van geest en wijsheid” zijn. Het is een startpunt voor het ambt van de diaken, ook al veranderde de inhoud van dit ambt en ook het ambt van bisschop en priester nog sterk. Het diakenambt raakte rond het jaar 1000 in onbruik en werd tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1964) heringevoerd, met een eigen roeping en zending.
De diaken is geen door de kerk gemandateerde maatschappelijk werker of sociaal assistent. De diaken, die zelf mensen nabij is in de naam van Christus, roept de gemeenschap op tot dienst aan mens en wereld en zal de naastenliefde van de gemeenschap aanwakkeren, bezielen en begeleiden. Steeds weer vraagt hij aandacht voor de arme, gekwetste, zieke en rouwende mensen en dringt hij er op aan hen niet te vergeten.
Diakens zijn in de katholieke kerk verbindingsfiguren tussen kerk en wereld, tussen Bijbel en leven, tussen liturgie, verkondiging en naastenliefde. Ze staan in naam van God open voor de (zorg)vragen van anderen, met een gratuite liefde, het teken van Gods liefde voor de wereld. (Uit: Emmanuel Van Lierde, Engagement namens God, p. 36 - 40)



