Een middeleeuwse ode aan Vlaanderen: meer dan romantische nostalgie
Mediëvisten op rust blijven vaak wroeten naar verhalen die niet of nog niet vaak verteld werden. Het moderne Vlaamse nationale bewustzijn kreeg vooral in de negentiende eeuw vorm. ‘Maar’, zegt de Leuvense emeritus professor Raf De Keyser, ‘ons ‘Vlaanderen-gevoel’ werd negenhonderd jaar geleden al op uitbundige wijze gelegitimeerd door ene Petrus Pictor.’ De Keyser verwijst naar het gedicht De laude Flandriae.
Sint-Omaars
Die Petrus Pictor was regulier kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Sint-Omaars, een Noord-Franse stad die toen trouwens nog helemaal geen bisdomszetel was. Petrus Pictor schreef circa 1110 in middeleeuws Latijn zijn complexe lofdicht op Flandria, dat hij zijn patria noemde. Vormen die 44 versregels het vroegste voorbeeld van Vlaams nationalisme? ‘Neen’, zegt De Keyser, ‘nationaal staatsbesef is er in de westerse wereld pas vanaf de dertiende eeuw, met het Franse nationale bewustzijn als voorloper.’
Dynastiek patriotisme
Wel gaat het volgens De Keyser om ‘verbondenheids- en samenhorigheidsgevoel, gebaseerd op het succesverhaal van de Vlaamse graven in de elfde eeuw. Het is ‘dynastiek patriotisme’. Dat was allerminst een luchtkasteel, want de opeenvolgende Vlaamse graven Boudewijn IV (988-1035), Boudewijn V (1035-1067), Robrecht I de Fries (1071-1093), Robrecht II van Jeruzalem (1093-1111), Boudewijn VII (1111-1119) en Karel de Goede (1119-1127) hadden grootse dingen verwezenlijkt.’
Banneling
‘Het hele gedicht getuigt van grote vaderlandsliefde’, vertelt De Keyser, ‘het is een ode aan de succesrijke huwelijkspolitiek van de Vlaamse graven die het graafschap Vlaanderen internationale faam en grote invloed opleverde.’ Merkwaardig is dat Petrus Pictor toen zelf niet meer op Vlaamse bodem verbleef; hij bezong met heimwee het vaderland dat hij had moeten ontvluchten. Waarom precies, weten we niet. Was hij wegens zijn scherpe pen verbannen of om den brode in Sint-Omaars terechtgekomen?
Hexameters
De recente vertaling van Tom Ingelbrecht van de laatste regels van De laude Flandriae luiden:
O, Vlaanderen, als ik denk aan uw grootsheid en uw glorie,
dan wil ik vaak u terug en voel ik steeds weer nieuwe liefde.
Maar als ik angst gewaar word, wil u naar de hemel reiken,
ikzelf blijf liever op de grond dan doodsgevaar te lijden.
O, Vlaanderen, moge u met Gods wil alle leed verdrijven,
en moge ik met wil en gunst van God uw burger blijven.
Ja, moge ik met Gods gunst mijn geboorteland bezoeken,
dat naar Gods wil en plan de schenker is van zoveel rijkdom.
Dus, Vlaanderen, ik groet u, mijn vroom Vlaanderen, land van de vromen,
Ik groet u en begroet u, goed Vlaanderen, land van de goeden,
Ik groet u, nobel Vlaanderen, land van de nobelen,
Ik groet u steeds weer, mijn Vlaanderen, land van mijn geliefden.
Op technisch vlak is het een bijzonder gedicht; het is in hexameters opgesteld en in elk vers is er zowel een binnenrijm als een eindrijm. Luister maar naar de eerste versregels in de Middellatijnse tekst:
Flandria, dulce solum, super omnes terra beata,
Tangis laude polum; duce magno glorificata.
Flandria, Gallorum decus et robur generale,
Et timor Anglorum, sceptrum petis imperiale.
Miniaturist
‘Onze kanunnik was waarschijnlijk magister in de artes. Er zijn een achttiental gedichten van hem bekend. Daaruit blijkt dat hij echt pictor was – schilder of miniaturist. Hij vond het erg dat hij de hele dag moest schilderen en alleen ‘s nachts wat tijd had voor poëzie. Hij was ook vertrouwd met de kerkelijke problemen van zijn tijd, zo blijkt uit theologische thema’s als de Drievuldigheid, de sacramenten en het Laatste Oordeel met hemel en hel.





