Een vertrouwen dat weerstaat, ook wanneer alles zwijgt - paus Leo XIV [catechese]
Cyclus – Jubileum 2025. Jezus Christus onze hoop. III Het Pasen van Jezus.6. De dood. “Hierna, wetend dat nu alles was volbracht, zei jezus, opdat Schrift vervuld zou worden: “Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.” (Mc 15,37).
Geliefde broeders en zusters,
goede dag en dank voor jullie aanwezigheid. Een mooi getuigenis! Vandaag staan we stil bij het toppunt van het aardse leven van Jezus: zijn dood op het kruis. De Evangelies brengen het getuigenis van een heel kostbaar detail, dat verdient overwogen te worden met het verstand van het geloof. Op het kruis sterft Jezus niet in stilte. Hij dooft niet langzaam uit, als een licht dat dooft, maar Hij laat het leven met een kreet: “Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest” (Mc 15,37).Die kreet vertolkt al het lijden, de verlatenheid, het geloof, het offer. Het is niet slechts de stem van een lichaam dat het begeeft, maar het laatste levensteken dat zich overgeeft.
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?
De kreet van Jezus wordt voorafgegaan door een vraag, een van de meest verscheurende die kunnen uitgesproken worden: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Het is het eerste vers van psalm 22. Op de lippen van Jezus krijgt het een enig gewicht. De Zoon, die steeds in nauwe verbondenheid met de Vader heeft geleefd, ervaart nu de stilte, de afwezigheid, de afgrond. Het gaat niet om een geloofscrisis, maar om de laatste pas van een liefde die zich tot het uiterste geeft. De kreet van Jezus is geen wanhoop, maar oprechtheid, waarheid tot het uiterste, vertrouwen dat weerstaat ook wanneer alles zwijgt.
Op dat ogenblik verduistert de hemel en het voorhang van de tempel scheurt (cfr Mc 15, 33.38). Het lijkt alsof de schepping zelf deelt in dat lijden en tegelijk iets nieuws openbaart: God woont niet langer achter een voorhangsel, zijn gelaat is voortaan volledig zichtbaar in de Gekruisigde. Daar, in die verscheurde mens, openbaart zich de grootste liefde. Daar is het dat we een God kunnen erkennen die niet op afstand blijft, maar voluit ons lijden doorleeft.
Wanneer het hart vol is, roept het.
De honderdman, een heiden, verstaat het. Niet omdat hij een toespraak heeft gehoord, maar omdat hij Jezus op die wijze heeft zien sterven: “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.” (Mc 15,39). Dat is de eerste geloofsbelijdenis na het sterven van Jezus. Het is de vrucht van een kreet die niet verstrooid is door de wind, maar die het hart heeft geraakt. Soms vertolken wij, wat we niet met woorden kunnen gezegd krijgen, met de stem. Wanneer het hart vol is, roept het. Dat is niet steeds een teken van zwakheid. Het kan een diep gebaar van menselijkheid zijn.
Uiterste vorm van gebed
Wij zijn gewoon over een kreet te denken als iets dat niet past, dat onderdrukt moet worden. Het Evangelie geeft aan onze kreet een mateloze waarde door ons eraan te herinneren dat het een smeking kan zijn, een protest, een verlangen, een overgave. Het kan zelfs de uiterste vorm van gebed zijn, wanneer er geen woorden meer zijn. In die kreet, heeft Jezus alles gelegd wat Hem restte: heel zijn liefde, al zijn hoop.
Juist, want ook dat is daar, in het roepen: een hoop die zich niet overgeeft. Men roept wanneer men veronderstelt dat er nog iemand is die het hoort. Men roept niet uit wanhoop, maar uit verlangen. Jezus heeft niet tegen de Vader geroepen, maar naar Hem. Ook in de stilte, dat was zijn overtuiging was de Vader daar. Zo heeft Hij ons getoond dat onze hoop kan roepen, zelfs wanneer alles verloren lijkt.
Roepen
Roepen wordt dan een spiritueel gebaar. Het is niet slechts de eerste daad bij onze geboorte – wanneer we wenend ter wereld komen - het is ook een manier om te blijven leven. Men roept wanneer men lijdt, maar ook wanneer men liefheeft, men roept, men smeekt. Roepen is zeggen dat we er zijn, dat we niet in de stilte willen doven, dat we nog iets te bieden hebben.
Tijdens de levensreis zijn er ogenblikken waarop we door alles binnen te houden, langzaam ophouden. Jezus leert ons geen vrees te koesteren voor de kreet, op voorwaarde dat deze oprecht is, nederig, gericht tot de Vader. Een kreet is nooit nutteloos als hij ontspringt aan de liefde. En hij wordt nooit miskend, wanneer hij tot God is gericht. Het is een middel om niet toe te geven aan cynisme, om te volharden in het geloof dat een andere wereld mogelijk is.
Geliefde broeders en zusters,
laten we ook dit van de Heer Jezus leren: laten we de kreet van de hoop leren wanneer het uur van de uiterste beproeving aanvangt. Niet om te kwetsen, maar om ons toe te vertrouwen. Niet om tegen iemand te schreeuwen, maar om het hart te openen. Als onze kreet waarachtig is, kan hij de drempel van een nieuwe dageraad zijn, van een nieuwe geboorte. Zoals voor Jezus, toen alles ten einde leek, nam het heil zijn aanvang. Wanneer de onderdrukte stem van onze menselijkheid aan het licht komt met het vertrouwen en de vrijheid van de kinderen Gods, kan zij, samen met de stem van Christus, een bron worden.
Vertaald uit het Italiaans door Marcel De Pauw msc


