De Kerk, pelgrim in de geschiedenis op weg naar het hemels vaderland – paus Leo XIV [catechese]
De documenten van Vaticanum II.II Dogmatische constitutie Lumen gentium.8. De Kerk, pelgrim in de geschiedenis op weg naar het hemels vaderland
Geliefde broeders en zusters, goedendag en welkom!
Vandaag staan we stil bij een deel van hst. VII van de constitutie Lumen gentium (LG) van Vaticanum II over de Kerk. We staan stil bij een bijzonder eigen kenmerk: de eschatologische aard. Inderdaad, de Kerk beweegt zich door de aardse geschiedenis voortdurend gericht op het einddoel en dat is het hemelse vaderland. Het gaat om een wezenlijk kenmerk dat wij, hoe dan ook, vaak voorbijgaan of minimaliseren omdat we te zeer toegespitst zijn op wat meteen zichtbaar is en op de meer concrete werkingen in het leven van christelijke gemeenschap.
De Kerk is het volk van God op weg in de geschiedenis met het Rijk van God als doel van heel haar handelen (cfr LG, 9). Jezus is met de Kerk gestart precies met de verkondiging van dit Rijk van liefde, gerechtigheid en vrede (cfr LG 5) . We worden dus geroepen de gemeeschaps en kosmische eigenheid van het heil door Christus te zien en de blik te richten op deze uiteindelijke einder en zo alles te beoordelen in dit perspectief.
De Kerk leeft in de geschiedenis in dienst van de komst van het Rijk van God in de wereld. Zij verkondigt aan allen en altijd de woorden van deze belofte, ontvangt er een onderpand van in de viering van de Sacramenten, bijzonder van de Eucharistie. Zij actualiseert en ervaart de logica hiervan in de relaties van liefde en dienstbaarheid. Zij beseft bovendien dat zij een trefpunt is en een middel waardoor de eenheid met Christus “meer volkomen” werkelijkheid wordt” (LG, 48), terwijl zij erkent dat de verlossing door God in de Heilige Geest ook buiten haar zichtbare grenzen kan geschonken worden.
de Kerk is “het universeel sacrament van het heil“
(LG, 48)
In verband hiermee maakt Lumen gentium een belangrijke opmerking: de Kerk is “het universeel sacrament van het heil“ (LG, 48). Dat wil zeggen: teken en instrument van deze volheid van leven en van vrede beloofd door God. Dat betekent dat zij zich niet volledig vereenzelvigt met het Rijk van God, maar zij is er kiem en begin van, want de voltooiing zal de mensheid en aan de kosmos slechts geschonken worden aan het einde. Daarom doorlopen zij die in Christus geloven, deze aardse geschiedneis getekend door rijping van het goede maar ook door onrecht en lijden, zonder ontgoocheld of wanhopig te worden. Zij leven gericht op de ontvangen belofte: “Zie Ik maak alles nieuw” (Openb 21,5). Daarom realiseert de Kerk haar zending tussen het “reeds” van het begin van het Rijk van God in Jezus, en “het nog niet” van de beloofde en verwachte voltooiing. Zij is de hoedster van een hoop die de weg verlicht, zij is ook bekleed met de zending die heldere woorden vertolkt om alles af te wijzen dat het leven krenkten er de ontwikkeling van verhindert, de zending ook om stelling in te nemen ten voordele van de armen, de uitgebuiten, de slachtoffers van het geweld en van de oorlog en van allen die lijden in het lichaam en in de geest (cfr Compendium van de sociale leer van de Kerk, n 159).
Als teken en sacrament van het Rijk is de Kerk het volk van God dat op de aarde als pelrgim gaat precies vanuit de uiteidnelijek belofte. Zij leest en verstaat de bewegingen van de geschiedenis vanuit het Evangelie, terwijl ze ook alle vormen van kwaad aanklaagt en, met woord en daad, het heil aankondigt dat Christus wil bewerken voor de hele mensheid en zijn Rijk van gerechtigheid, van liefde en van vrede. Met andere woorden, de Kerk verkondigt niet zichzelf. Integendeel, in haar moet alles verwijzen naar de verlossing in Christus.
Geen enkele kerkelijk instelling mag een absoluut karakter krijgen
In dit perspectief, wordt de Kerk geroepen nederig de menselijke broosheid en wankelheid te bekennen van haar eigen instellingen, die, ook al staan ze ten dienste van het Rijk van God toch de vluchtige gestalte aannemen van deze wereld (cfr LG, 48). Geen enkele kerkelijk instelling mag een absoluut karakter krijgen. Integendeel, omdat ze leven in de geschiedenis en in de tijd, worden zij geroepen tot een voortdurende bekering, tot vernieuwing van de vormen en tot hervorming van de structuren, tot de voortdurende hervorming van de relaties zodat die werkelijk kunnen beantwoorden aan hun zending.
In het perspectief van het Rijk van God moet ook de relatie begrepen worden tussen de christenen die vandaag hun zending vervullen en zij die hun aardse bestaan reeds hebben voltooid en in een fase verkeren van zuivering en van zaligheid. Lumen gentium, zegt immers dat alle christenen één Kerk vormen, dat er één gemeenschap is en een samen delen van de geestelijke goederen begrond in de eenheid van alle christenen met Christus, een broederlijke bezorgdheid tussen de aardse Kerk en de hemelse Kerk. De gemeenschap van de heiligen die men in het bijzonder ervaart in de liturgie (cfr LG 49-51). Door te bidden voor de overledenen en in de voetsporen te treden van hen ie reeds als leerlingen van Jezus hebben geleefd, krijgen ook wij steun op onze weg en versterken we het aanbidden van God: getekend door de enige Geest en verenigd in de enige liturgie, samen met hen die ons zijn voorgegaan in het geloof, loven en eren wij de Heilige Drieëenheid. We danken de concilievaders voor deze nalatenschap van een zo belangrijke en zo mooie eigenheid van het christenzijn. Laten we dit in ons leven beleven.
Vertaald uit het Italiaans door Marcel De Pauw msc