Bidden met bomen, bergen en beken: 12 psalmverzen over de natuur
De psalmen zijn 2500 jaar oude – of zelfs nog oudere – gebeden, verzameld in het Bijbelboek Psalmen. Daarin geeft de mens woorden aan zijn diepste vreugde, angst, hoop en verlangen. Ze ademen een eerlijkheid die troost en ruimte geeft aan wat er ook maar in ons leeft. Zoveel is de mens in al die eeuwen niet veranderd.
De psalmen geven vooral taal aan de relatie tussen de mens en de diepste en hoogste realiteit – de bron, bedding en bestemming van het bestaan. Die realiteit – God – wordt in de psalmen aangeroepen en aangeklaagd, gesmeekt en gedankt.
In de dialoog tussen de mens en zijn God die zich in de psalmen ontspint, klinkt heel de werkelijkheid en ook de natuur mee. De natuur is er niet zomaar een passief decor, maar een medebidder. Het besef klinkt erin door dat de schepping niet zwijgt, maar net als wij huilt, schreeuwt, smeekt, jubelt en looft. Verlangend wacht de natuur, samen met ons, op de voltooiing van het leven in God.
Ga je deze zomer wandelen in de bergen, in de bossen of aan zee, neem dan deze psalmverzen met je mee.
Psalm 1,1&3
Gelukkig de mens,
die vreugde vindt in de wet van de Heer.
Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Wie zijn geluk niet zoekt in het oppervlakkige, maar in de diepte, zal stevig wortelen en duurzaam gevoed worden. De natuur is een spiegel waarin de mens het goede leven kan herkennen. Wij mogen zijn als bomen, trouw en standvastig geworteld in de diepste realiteit.
Psalm 8,4-5
Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door U daar bevestigd,
wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet?
Zien we de grootheid van de natuur, dan voelen we ons soms nietig. Maar dat is meestal geen kleinerend of vernederend gevoel. Het verruimt net ons hart als we nederig mogen zijn voor Gods oneindige liefde en zorg.
Psalm 19,2-5
De hemel verhaalt van Gods majesteit,
het uitspansel roemt het werk van zijn handen,
de dag zegt het voort aan de dag die komt,
de nacht vertelt het door aan de volgende nacht.
Toch wordt er niets gezegd, geen woord gehoord,
het is een spraak zonder klank.
Over heel de aarde gaat hun stem,
tot aan het einde van de wereld hun taal.
Alles spreekt: de natuur en heel de realiteit vormen een taal. Verstaan we waarover die spreekt? Of vinden we het vanzelfsprekend dat we omringd worden door een werkelijkheid die ons draagt en leven geeft?
Psalm 23,2
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water.
In de natuur ervaren we soms een vrede die ons ontbreekt in het dagelijkse leven. Dat zijn belangrijke momenten van herbronning, die ons opnieuw draagkracht geven voor het leven. Ze kunnen ook een spirituele ontwikkeling in gang zetten die ons gaandeweg leert dat vrede niet van de omstandigheden afhankelijk is, maar wel van het volgen van Gods leiding.
Psalm 29,3&5
De stem van de Heer boven de wateren,
de God vol majesteit doet de donder rollen.
De stem van de Heer splijt ceders,
de Heer splijt de ceders van de Libanon.
De natuur is niet altijd een rustig en vredig oord. Soms is ze woest, krachtig, wild, brekend. Bliksem en donder, stormwind en vloed boezemen ontzag in. Ook Gods stem in ons leven klinkt niet altijd zacht en vredig. Soms is zijn aanwezigheid ontwrichtend, brekend, overweldigend. Niet om te vernietigen, maar om nieuw leven een kans te geven.
Psalm 33,6-7
Door het woord van de Heer is de hemel gemaakt,
door de adem van zijn mond het leger der sterren.
Hij verzamelt het zeewater en sluit het in,
Hij bergt de oceanen in schatkamers weg.
De natuur is geen kille, objectieve en onverschillige realiteit. Ze is gevormd door Gods adem. Hij heeft er zijn meest intieme innerlijkheid in gelegd. Hij blijft betrokken bij zijn schepping: hij verzamelt, ordent en bewaart. Een voorbeeld van hoe wij met de natuur mogen omgaan: ordenend en bewarend, niet vernietigend en uitbuitend.
Psalm 36,7
Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan.
De natuur zit vol metaforen voor Gods goede eigenschappen. Als we de natuur beluisteren en bekijken met gevoelige en gelovige oren en ogen, dan krijgt ze een diepere betekenis. We kijken dan niet met een onverschillige of objectieve bril, maar met onze ziel. Zoals Guido Gezelle dichtte: 'Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft.'
Psalm 42,2
Zoals het hert de beekjes zoekt,
zo zoekt mijn geest naar U, mijn God.
De natuur biedt metaforen voor het diepste streven van de mens. Voor het hert is water vinden geen bijzaak, maar een levensnoodzaak, elke dag weer. Wat is voor ons levensnoodzakelijk? Natuurlijk hebben we kleren en eten nodig. Maar wat heeft onze ziel écht nodig? De biddende mens zoekt zijn fundament – God – met dezelfde levensnoodzaak als het hert naar water.
Psalm 65,10-11
U zorgt voor het land en bevloeit het,
U maakt het vruchtbaar,
vol water staat de rivier van God.
U bewerkt het land voor het koren, zo bewerkt U het:
U doordrenkt de voren en effent de kluiten,
doorweekt ze met regen en zegent het jonge groen.
Water en vruchtbaarheid zijn niet vanzelfsprekend en ook niet louter mensenwerk. Het zijn tekens van Gods voortdurende zorg en genade.
Psalm 84,4
Want zelfs de mussen vinden wel een schuilplaats,
de zwaluwen een nestje voor hun broed.
Voor mij is dat uw altaar, Heer der hemelmachten,
mijn koning en mijn God!
Soms kunnen we jaloers zijn op de – veronderstelde – zorgeloosheid van dieren. Ze zijn thuis in het leven hier-en-nu zonder zich te verliezen in plannen voor de toekomst of analyses van het verleden. Ook wij kunnen iets van die onschuld herwinnen door te leven in overgave – offergave – aan God.
Psalm 96,11-13
Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen,
de zee bruisen, met alles wat daar leeft.
Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit,
laten alle bomen jubelen
voor de Heer, want Hij is in aantocht.
De jubel waarover dit vers spreekt, valt ons mensen misschien moeilijk. We zijn in deze moeilijke tijd geneigd om eerder somber te zijn over de wereld, de natuur en de mens. Van de natuur kunnen we dan leren om ons te verheugen over wat nog komen moet. We mogen nu al bruisend leven, niet omwille van de wereld, maar wel omwille van God.
Psalm 104,10-11
U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.
Het drenkt alles wat leeft in het veld.
Water zoekt zijn weg: soepel langs obstakels heen, steeds in beweging en tegelijk in rust, leven gevend op zijn pad. Het is fascinerend om naar water te kijken. We kunnen erbij mediteren over de levensstroom waar we zelf instaan en de stroom van leven die door ons innerlijk stroomt. God is er de bron, de bedding en de bestemming van.
Psalm 148,7-8
Loof de Heer, bewoners van de aarde,
zeemonsters en oceanen,
vuur en hagel, sneeuw en rook,
stormwind die doet wat Hij zegt.
Lees ook
Naar het einde van het Bijbelboek Psalmen toe is het een en al lof. In de laatste psalm, nummer 150, klinkt in elke regel 'loof God', met 'hoorngeschal, harp en lier, snaren en fluit, bekkens en cimbalen'. Het is wat veel voor de gewone sterveling, die niet elke dag overstroomt van geloof. Psalm 148 brengt daarin nuance en zet alles in het juiste perspectief. Alles en iedereen mag de Schepper loven zoals het is, tot de zeemonsters toe. Het is genoeg dat we zijn zoals Hij ons geschapen heeft en Hem daarvoor danken met de gave van ons leven.
Wie met deze psalmverzen in de natuur bidt, zal merken hoe goed ze samenklinken. De schepping houdt niet op met bidden. In een tijd waarin de natuur bedreigd wordt omdat we haar tot gebruiksobject maken, herinneren deze eeuwenoude verzen ons eraan dat zij en wij medeschepsels zijn – en medebidders.









