Jezus toont zijn menselijkheid en ook de onze - paus Leo XIV [catechese]
Cyclus – Jubileum 2025. Jezus Christus onze hoop. III Het Pasen van Jezus. 5. De Kruisiging. “Ik heb dorst” (Joh 19,28)
Geliefde broeders en zusters,
centraal in het lijdensverhaal, op het meest lichtende en tegelijk meest duistere ogenblik in het leven van Jezus, biedt het Evangelie volgens Johannes ons twee woorden die een ontzaglijk geheim verhullen: “Ik heb dorst” (19,28) en onmiddellijk daarna: “Het is volbracht”. Slotwoorden vervuld van een volledig leven. Zij onthullen de betekenis van heel het bestaan van de Zoon van God. Op het kruis verschijnt Jezus niet als een triomferende held, maar als een bedelaar om liefde. Hij redeneert niet, Hij veroordeelt niet, Hij verdedigt zich niet. Hij vraagt, nederig, wat Hij zichzelf niet kan geven.
Verbondenheid
De dorst van de Gekruisigde is niet uitsluitende de fysische behoefte van het uitgeputte lichaam. Het is ook en vooral, uitdrukking van een diep verlangen: naar liefde, naar verbondenheid, naar gemeenschap. Het is de stille kreet van een God die, vanuit de wil om alles van onze menselijke toestand te delen, ook deze dorst wil ondergaan. Een God die zich niet schaamt om te bedelen om een teug. In dat gebaar maakt Hij ons duidelijk dat liefde, wil ze waar zijn, ook moet leren vragen en niet slechts leren geven.
Ik heb dorst, zegt Jezus, en op die wijze toont Hij zijn menselijkheid en ook de onze. Niemand van ons volstaat aan zichzelf. Niemand kan zich alleen redden. Het leven “voltrekt zich” niet wanneer we sterk zijn, maar wanneer we leren ontvangen. En precies op dat ogenblik, nadat Hij uit vreemde handen een spons vol met azijn, heeft ontvangen , zegt Jezus: “Het is volbracht”. De liefde heeft zich hulpbehoevend gemaakt, en juist daardoor heeft ze haar werkzaamheid voltooid.
God redt niet door te doen, maar door Zich te laten doen.
Dat is de christelijke paradox: God redt niet door te doen, maar door Zich te laten doen. Niet door het kwaad te overwinnen met geweld, maar door de volledige diepte te aanvaarden van de “zwakheid van de liefde”. Op het kruis leert Jezus ons dat een mens zichzelf niet verwerkelijkt in de macht, maar door vertrouwvolle openheid voor de ander, zelfs wanneer die ons vijandig is en een vijand. Verlossing bestaat niet in zelfstandigheid, maar in het met nederigheid erkennen van de eigen nood en in de onbeschroomde uiting hiervan..
Gebaar van vertrouwen
Lees ook
De voltooiing van onze menselijkheid is, in het plan van God, geen daad van macht, maar een gebaar van vertrouwen. Jezus verlost niet door een onverhoedse kering, maar door iets te vragen dat Hij zichzelf niet kan geven. Hier gaat de deur van de echte hoop open: als ook de Zoon van God aanvaard heeft zichzelf niet genoeg te zijn, dan is ook onze dorst – naar liefde, naar zin naar gerechtigheid – geen teken van mislukking, maar van waarheid. Deze ogenschijnlijk heel eenvoudige waarheid, is moeilijk te vatten. We leven in een tijd die zelfredzaamheid, resultaat en prestatie beloont. Het Evangelei daarentegen toont dat de maat van onze menselijkheid niet gegeven wordt door wat we kunnen veroveren, maar door de bekwaamheid zich te laten beminnen en, als dat nodig is, ook ons te laten helpen. Jezus verlost ons door ons te tonen dat vragen niet onwaardig is, maar bevrijdend. Het is de weg om uit de schuilplaats van de zonde te komen, om de ruimte te betreden van de gemeenschap. Vanaf het begin, heeft zonde schaamte voortgebracht. Maar vergiffenis, de echte, ontstaat wanneer we onze behoefte onder ogen durven zien en niet meer vrezen afgewezen et worden.
Die dorst verwijdert ons niet van God, hij verbindt veeleer met God.
De dorst van Jezus op het kruis is ook de onze. Het is de kreet van de gekwetste menselijkheid, op zoek naar levend water. Die dorst verwijdert ons niet van God, hij verbindt veeleer met God. Als we de moed hebben te erkennen dan kunnen we ontdekken dat ook onze broosheid een brug naar de hemel is. Precies in het vragen - niet in het bezitten - opent zich een weg van vrijheid omdat we ophouden te pochen dat we onszelf volstaan.
In de broederlijkheid, in het eenvoudige leven, in de kunst om zonder schaamte te vragen en zonder berekening te geven, verbergt zich een vreugde die de wereld niet kent. Een vreugde die ons terugbrengt tot de oorspronkelijke waarheid van onze bestaan: we zijn schepselen, gemaakt om liefde te geven en te ontvangen.
Geliefde broeders en zusters,
in de dorst van Christus mogen we heel onze dorst erkennen. En leren dat er niets meer menselijk is, niets meer goddelijk, dan te kunnen zeggen: ik heb nood. Laten we niet vrezen om te vragen, vooral wanneer de schijn bestaat dat we het niet verdienen. Laten we ons niet schamen de hand uit te steken. Het is juist daar, in dat nederige gebaar, dat de verlossing huist.
Vertaald uit het Italiaans door Marcel De Pauw msc
