Gilbert Nyatanyi (54), bekend van de beruchte sketch: ‘Mijn leven is eigenlijk één groot kerekewere’
De sketch Rute 98, waarin Wim Opbrouck computerles geeft in het West-Vlaams, dateert alweer van 1998 maar zit nog stevig ingebakken in het collectief geheugen. Gilbert Nyatanyi – ‘Gilberke’ – was op slag BV. In Het jongetje dat bijen at (Otheo, 2026) vertelt hij zijn levensverhaal.
Lees verder onder het nostalgische filmfragment uit Alles kan beter.
Wat bracht jou ertoe je levensverhaal op te schrijven?
Toen we na het overlijden van mijn mama haar appartement opruimden, vond ik in de kast enkele vellen papier, het begin van haar eigen levensverhaal. Zelf zat ik al een tijdje met het idee om een en ander op te schrijven, en die vondst gaf de doorslag. Ik moest er niet te lang mee wachten. Op dat moment dacht ik absoluut niet aan een eventuele publicatie. Het ging me meer om het delen van mijn verhaal met familie en vrienden. Maar het is een stevig boek geworden en toen ik het aanbood bij Otheo Books, was Harold Polis meteen enthousiast.
Anno 2026 kan ik zeggen dat ik op mijn pootjes terecht ben gekomen: gelukkig getrouwd, vader van twee volwassen dochters en bedrijfsadvocaat in het oudste onafhankelijke advocatenkantoor in België. Ik voel me dankbaar tegenover de West-Vlaamse familie die mij opgevangen heeft toen ik als 8-jarig jongetje weggerukt werd uit mijn vertrouwde wereld en zorgeloze kindertijd in Rwanda. Ik wou die dankbaarheid meegeven aan de volgende generatie, samen met enkele ouderwetse maar onvergankelijke waarden: liefde, vriendschap, geloof, verbondenheid.
Dat doe je met veel sappig West-Vlaams tussendoor. Neem ons eens mee terug naar het Egem van de jaren ‘80.
Op het West-Vlaamse platteland kwam je in die tijd haast nooit iemand met een donkere huidskleur tegen. Ik was meteen ‘het zwartje van Debevers’. De eerste maanden waren een totale onderdompeling in een nieuwe cultuur, taal, familie. De brieven van mijn moeder in het Kinyarwanda waren alles wat me nog verbond met mijn vroegere leven. Dat, en het geloof. ‘s Zondags zaten de kerken toen nog bomvol, of het nu zaterdag was of zondag. Heel het dorp was aanwezig. Een bomvolle maar muisstille kerk, want de priester sprak het volk anders streng toe! De sfeer in Rwandese kerk was levendiger, maar het voelde vertrouwd. Ik was aandachtig voor de preek en vond de meer symbolische interpretatie heel verrijkend.
Met het boek wou mijn dankbaarheid meegeven aan de volgende generatie, samen met enkele ouderwetse maar onvergankelijke waarden: liefde, vriendschap, geloof, verbondenheid.
Gilbert Nyatanyi
Gelukkig was ik pienter genoeg om op school snel bij te benen en op een jaar tijd van het eerste leerjaar naar het zesde over te springen en weer bij leeftijdgenoten aan te sluiten. De leraar gaf me af en toe een standje omdat ik antwoordde in het plat Egems! Mocht ik de taal niet zo snel onder de knie hebben gekregen, dan had ik me misschien helemaal anders ontwikkeld. Heel wat vriendschappen van toen, in die kleine wereld, koester ik nog altijd. Eigenlijk hebben Egem en Pittem mij heel snel in de armen gesloten. De reactie van mensen kon volledig anders geweest zijn: wat komt die Afrikaan hier doen? Ze hadden in mij een gevaar kunnen zien, maar ik werd aanvaard als één van hen.
Ongetwijfeld kreeg je ook te maken met racisme, maar dat komt in het boek nauwelijks aan bod. Waarom?
Wat helpt het om verbitterd te zijn en na te trappen? In deze onzekere wereld is het belangrijk om een positieve boodschap te brengen. En ik heb er niet zozeer een probleem mee als een kind wijst en Zwarte Piet zegt of zo. Dat komt misschien wel een beetje aan, maar ik lig er niet van wakker. Het is veel schadelijker als mensen vanuit een superieure houding de confrontatie zoeken. En er zijn ook mensen die je racistisch behandelen, maar inzien dat ze fout waren en zich verontschuldigen. Ook dat heb ik meegemaakt.
Opgroeien in twee werelden was niet gemakkelijk, maar het is ook verrijkend. Ik heb er zelfs even aan gedacht om mijn familienaam te laten veranderen en voortaan als Debever door het leven te gaan. Ik ben blij dat mijn pleegmoeder dat zonderlinge hersenspinsel meteen weer heeft weggeblazen.
Ook je onvergetelijke tv-optreden vermeld je slechts kort.
Ik denk nochtans met veel plezier terug aan de sketches voor Alles kan beter en In de gloria, maar uiteindelijk is dat maar een klein onderdeel van mijn leven. Al zou Kerekewere ook geen slechte titel geweest zijn, want ik heb wel het gevoel dat het zo’n beetje de leidraad van mijn leven is: altijd weer opnieuw terugkeren en herbeginnen.
Kerekewere had de titel van mijn boek kunnen zijn, want ik heb wel het gevoel dat het zo’n beetje de leidraad van mijn leven is: altijd weer opnieuw terugkeren en herbeginnen.
Voor mijn werk ben ik in 2006 immers weer naar Afrika verhuisd: eerst naar Tanzania, dan naar Burundi en van daaruit naar Rwanda. Enkele jaren geleden ben ik dan definitief terug naar België gekomen. Mijn moeder was gestorven terwijl ik weg was. Ik wilde niet hetzelfde meemaken met mijn pleegouders en schoonmoeder. De tijd was kostbaar. Het was nooit de bedoeling om altijd een ‘kerekewere’ te doen… Met sommige mensen verwatert de band – uit het oog, uit het hart – maar veel vaker was het echt hartverwarmend om mensen terug te vinden. Of andersom, zij die míj terugvonden. Ik heb al gesproken over vriendschap. Ik vind dat echt iets heel moois en heel waardevols dat ik moet koesteren.
Hoe is het met je pleegouders?
Albert Debever is dit jaar overleden en Irène Duyck wordt 95 in mei. Ze is nog altijd die sterke, kranige vrouw, die er altijd voor mij geweest is. Op tijd en stond krijg ik een bericht via WhatsApp: Wanneer zien we jou nog eens in Egem? Dan weet ik hoe laat het is.
Het moet destijds niet evident zijn geweest om zo'n klein zwart manneke in huis te nemen. Ze waren ook al iets ouder. In die gesloten West-Vlaamse dorpsgemeenschap was het uiten van emoties niet evident. Houw, ziere voorsdoen, affeseeëren! Dat was meestal het devies. Maar af en toe kon ik eens door dat schild prikken en kreeg ik een inkijk in het mooie hart van Albert en Irène, twee schatten van mensen.
Die geslotenheid kende je eigenlijk ook van in Rwanda. Ze hebben jullie nooit verteld dat jullie vader overleden was.
Mama kon haar emoties nochtans goed uiten: ze lachte heel graag en uitbundig, en als we na de zomervakantie weer uit Rwanda vertrokken, stonden de tranen in haar ogen. Maar over de dood kon toen blijkbaar niet gepraat worden, inderdaad. We hebben het uit de reacties van de mensen en uit radioberichten moeten opmaken dat papa overleden was. Verder wisten we alleen dat hij naar België was voor zijn gezondheid.
Je vader was een bekende figuur in Rwanda.
Inderdaad. Hij was samen met de latere president Habyarimana als eerste generatie Rwandese militairen na de onafhankelijkheid opgeleid. Habyarimana had registratienummer 1, papa 2. Na zijn overlijden bood Jozef Duyck, een vriend van de familie die ik in Rwanda echter maar één keer had gezien, aan om de drie oudste broers op te vangen in zijn familie in België. Mama was relatief jong, plotseling weduwe met zeven kinderen... Hoe kon ze weigeren?
Eerst keken we ernaar uit, maar toen het zover was – en we ook nog eens verdeeld werden over drie gezinnen – was de pret voorbij. Die dag is in mijn geheugen gegrift: 5 september 1980. Ik zou er nooit meer naar terug willen!
Pas jaren later heb ik durven vragen hoe mama dat zelf beleefd heeft. Ook zij had er zwaar onder geleden. Nu ik zelf vader ben van twee dochters, besef ik hoe moeilijk dat moet geweest zijn. Ik zou hen nooit op die leeftijd hebben kunnen laten gaan. Onze jongste dochter voor haar studies uitzwaaien naar de Verenigde Staten was al moeilijk genoeg!
Toch overheerst vandaag dankbaarheid?
Zeker. Ik heb zoveel kansen gekregen én gegrepen. Allebei niet vanzelfsprekend, dus ik ben ongelofelijk dankbaar dat het uiteindelijk goed is uitgedraaid.
Droomde je als kind ervan om advocaat te worden?
Eigenlijk wel, al kon ik me daar toen nog geen concreet beeld van maken. Ik wilde mensen bijstaan en adviseren als advocaat. Dat was mijn ideaalbeeld. En ik probeer in deze sector dicht bij mijn overtuiging te blijven, al zou ik mezelf zeker geen wereldverbeteraar noemen.
Op welke manier liet de Rwandese genocide sporen na in jouw familie?
Onze familie was gemengd, Hutu en Tutsi, maar ik kan me geen enkel gesprek daarover herinneren van toen ik klein was. Niemand was met die categorieën bezig. Dat werd anders toen de spanningen opliepen. Mijn grootmoeder en doopmeter werden beschouwd als Tutsi, papa en mama als Hutu. In de zomer van 1993, het jaar vóór de genocide, was ik nog op bezoek geweest. Ik was toen erg geschrokken van de geweerschoten die me ‘s nachts uit mijn slaap hielden, maar waar mijn moeder en zus al aan gewend waren. Zoals altijd reisde ik ook naar oma in de heuvels. Zonder het te weten was dat een afscheid. Ze werd vermoord tijdens de genocide, net als oom Laurent en talrijke vrienden en kennissen. Mama daarentegen is gevlucht naar DR Congo, samen met mijn jongere broer en twee nichten. We hebben hemel en aarde verzet om hen naar België te halen, wat uiteindelijk ook gelukt is.
Je bent later nog teruggekeerd naar Rwanda. Hoe heb je dat ervaren?
Het was 2015. In Burundi was het op een gegeven moment erg onrustig en we vertrokken halsoverkop de grens over. We dachten toen nog dat onze vlucht tijdelijk was, maar de crisis in Burundi hield aan en ik kon aan de slag in het zusterkantoor in Kigali. Uiteindelijk zouden we er enkele jaren blijven. Je moet de spelregels van het regime kennen en aanvaarden om er te leven. Dat is een keuze die je moet maken met kennis van zaken. Maar ik heb me er nooit opnieuw echt thuis kunnen voelen. Alles was na de genocide erg veranderd: de mensen, de wijken, de sfeer. Eigenlijk is het een heel ander land geworden. Na die jaren in Afrika hadden we het wel nodig om terug naar België te komen en om te genieten van de voor- en nadelen van het Belgische systeem.
Is je boek ook een soort waarschuwing van waartoe vreemdelingenhaat kan leiden?
Natuurlijk hoop ik dat zoiets als de genocide nooit meer gebeurt. Dat kinderen niet uit hun gezin en land worden weggerukt. Maar het gebeurt natuurlijk nog steeds. Misschien helpt mijn boek mensen om zich in te leven in die problematiek. Ik ben geen barricadespringer, maar als er een boodschap zit in mijn boek, dan is het wel: wees dankbaar voor wat je hebt. En wacht niet tot morgen om te zeggen aan iemand ‘ik zie je graag’ of ‘jij betekent veel voor mij’.
Tot slot, vanwaar de titel ‘Het jongetje dat bijen at’?
Dat is wat ik grote mensen altijd wijs maakte. Ik had er enorme pret in. Bijen zijn uitzonderlijke wezens, wist je dat? Zo geordend, zo bezig altijd, zo sterk. En aangezien het leven een mengeling is van honing en absint, is het gezoem van bijen in mijn verhaal nooit ver weg.
Gilbert Nyatanyi
- Geboren in Rwanda in 1971 en gespogen in Egem in 1980
- Overdag ernstige advocaat bij Janson in Brussel, in de vrijetijd altijd voor een goede grap te vinden
- Bekend van hilarische tv-optredens voor Alles kan beter en In de gloria en recenter de documentairereeks Regenbogen in Rwanda over het WK wielrennen in Rwanda
- Gehuwd en trotse vader van twee volwassen dochters
De drie favoriete uitdrukkingen (in het West-Vlaams of Kinyarwanda)
Een moeder is zo mooi dat zelfs God er één wilde • Elke zomer gingen we terug naar Rwanda. Voor de zomervakantie van 1985 had pleegmoeder Irène me een houten plankje met dit opschrift meegegeven voor mama. Ze hing het op in de living. Afscheid nemen na twee heerlijke maanden, viel altijd zwaar.
Ge moe joe weirn - Tubyizere • Ik ben opgevoed met twee stemmetjes: ‘Je moet je best doen’, aangevuld met mama’s ‘Je moet erin geloven’. Mijn innerlijke kracht komt uit ouderwetse waarden en een onverzettelijke geest, geboren uit chaos, gevormd door hoop, waardigheid en geloof.
Wuvn en duvn doen de menage stuvn • Een typisch West-Vlaamse uitdrukking, die zoveel betekent als: Vrouwen en de duivensport zijn slecht voor het gezinsbudget. Als je mij vraagt wat nu mijn moedertaal is, zeg ik: ik heb er twee.












