Hoe gaat het met hen? — Mark Van de Voorde [column]
Hoe gaat het? Zo klinkt wellicht de doodgewoonste vraag. Zo doodgewoon dat niet eens op een antwoord wordt gewacht. Een dooddoener dus. Eenmaal die clichévraag wederkerig is gesteld, zet elkeen zijn weg verder. Hooguit wordt de vraag die geen antwoord behoeft de opener van een gesprek. En toch, in uitzonderlijke omstandigheden op een niet-doordeweekse dag kan ‘hoe gaat het?’ meer dan doodgewoon zijn, zelfs levenwekkend. Zoals die keer...
We schrijven 2015, ergens in la France profonde. Pessat-Villeneuve in de Auvergne is een gemeente van twee dorpjes die als dobbelstenen zijn geworpen op de vlakte van Limagne. Een belangrijk deel van de 745 inwoners van die gemeente is naar een informatievergadering gekomen die burgemeester Gérard Dubois heeft georganiseerd.
De burgemeester van die rurale gemeente zonder denkwaardige geschiedenis had onbewust wel geschiedenis geschreven. En hij zat er een beetje mee. Hij was als eerste Franse burgervader ingegaan op de oproep van de minister van Binnenlandse Zaken aan de gemeenten om een opvangcentrum voor asielzoekers te openen. Waarom ook niet, had burgemeester Dubois gedacht, het kasteel van Villeneuve, ooit een vakantiedomein van Air France, stond al jaren leeg.
De eerste asielzoekers waren al gearriveerd. Gelijktijdig met hun komst waren ook de eerste bedenkingen van de inwoners op het bureau van de burgemeester beland. Die consideraties waren niet allemaal even subtiel verwoord, laat staan dat ze gastvrij van toon waren. Maar een democratisch verkozen burgemeester dient nu eenmaal te luisteren naar de zorgen van de burgers. Dus nodigde Dubois hen uit naar de gemeentezaal.
Zoals te verwachten ging het er nogal heftig aan toe. Of de maire wel zeker was dat die asielzoekers geen terroristen waren? Dat de komst van die armoezaaiers de waarde van de huizen zal doen kelderen! Dat vrouwen misschien niet meer veilig over straat konden lopen! Wie weet, verkrachten ze onze kinderen niet! De angst schoot in de overtreffende trap.
Tot een jonge vrouw haar hand in de lucht stak, opstond en gewoonweg vroeg: ‘Hoe gaat het met hen inmiddels?’ Het lawaai in de zaal viel uit zoals de muziek uit luidsprekers waarvan de pluggen werden uitgetrokken. Het geroezemoes deemsterde weg in een sprakeloze stilte.
Toen stond een andere vrouw op en zei dat ze aan die vluchtelingen Franse les wou geven… Een paar dagen later telde men al tachtig vrijwilligers die een handje wilden helpen. Vandaag, elf jaar later is het asielcentrum er nog steeds. Zware problemen zijn er niet.
Hoe gaat het met hen? Die doodgewone vraag die wel om een antwoord vroeg, keerde de aandacht van het publiek om van zichzelf naar de anderen. Plotsklaps werden asielzoekers mensen met problemen in plaats van problemen voor mensen. Geen cijfers of statistieken maar medemensen. Geen anonieme groep maar individuele personen. Zoals wij dus.
Als we nu eens bij meer maatschappelijke vragen, toestanden en problemen de vraag zouden durven stellen: hoe gaat het met hen? En als we bij die vraag wel eens vaker zouden talen naar een antwoord …



