Stef Bos over vaders, zonen en wat blijft: 'Elke keer zing ik mijn vader dichterbij' [Otheo Radio]
De gevouwen handen van zijn vader. De geboorte van zijn kinderen. Een moment achter de piano waarop de tijd verdwijnt.
Voor Stef Bos schuilt het wezenlijke vaak in wat zich moeilijk laat uitleggen.
In een gesprek met Leo A. De Bock vertelt de Nederlands-Vlaamse singer-songwriter over de liefde die hem gevormd heeft en die hij wil doorgeven. ‘Dat is de eerste hemel die ik me kan voorstellen. Dat wij in elkaar voortleven.’
Je spreekt met veel warmte over je jeugd. Wat voor thuis was dat?
‘Een middenstandsnest. Progressief christelijk, gelovig maar niet dwingend. Mijn vader was klokkenmaker, een betrouwbare en principiële man. Als ik dacht dat hij echt streng zou worden, gebeurde meestal het omgekeerde. Mijn moeder had veel verbeelding, levenskracht en levenslust. Hij zat meer in zijn hoofd, zij leefde vanuit het hart. Ik denk dat het een heel goede combinatie was. Ik ben met veel liefde grootgebracht.
Toch heb ik altijd gevoeld: ik moet de grens van het dorp voorbij. En eenmaal die grens voorbij is er geen weg meer terug. Toen ik naar de toneelschool wilde, Studio Herman Teirlinck in Antwerpen, zei mijn vader: Moet dat nou, jongen? Dat is toch geen beroep? Maar uiteindelijk zei hij: Als je het echt wilt, gaan we je helpen.
Ik heb ooit gedroomd dat ik in een trein door de wolken reed. Opeens brak die trein in tweeën. Ik zag beneden mijn geboortestreek, het rivierenlandschap rond Veenendaal en Rhenen. Er begonnen stukken spoor te ontbreken, tot er helemaal geen sporen meer waren. Ik viel. En ik kwam terecht in een vangnet tussen de appelboom en de berkenboom in de tuin van mijn ouders. Toen ik wakker werd, dacht ik: dat is de mooiste metafoor voor het nest waar ik vandaan kom. Wat ik ook deed in mijn leven, ik kon altijd terug.’
Kun je nog thuiskomen bij mensen die er niet meer zijn?
‘In mijn hoofd en mijn hart wel. Dat is een gevoel dat mensen je geven. Misschien zetten ze een engel op je schouder. We maken allemaal fases mee waarin we het niet meer weten. Maar er is ergens een zaadje in mij geplant: het komt wel goed.’
Hoe gaf je vader zijn geloof handen en voeten?
‘Bij hem zat het in de praktijk. Hij ging anderen nooit vertellen wat ze moesten geloven. Maar toen ik op een bepaald moment niet meer naar de kerk ging, zei hij: Dan wil ik graag weten waar je wél voor staat. Zo ben ik opgevoed. Dat heeft mij altijd gedwongen na te denken: waar sta ik voor? Klopt het een beetje? Leef ik het zelf ook voor, tegenover mijn kinderen?
Het nest waaruit ik kwam, ging over liefde.
Stef Bos
Hij zei ook: als protestanten moeten we niet vergeten om te protesteren. Dus opstaan tegen wat je ziet, dat zit er wel in. Het nest waaruit ik kwam, ging over liefde. Ook onze toenmalige dominee dacht over kerkmuren heen. Die had tijdens de oorlog in Dachau gezeten en dacht heel oecumenisch. Dat was een engel als hij op de preekstoel stond.’
Je vader leeft voor veel mensen voort in Papa. Waarom moest dat lied er komen?
‘Mijn vader was terminaal verklaard. Ik zat nog op de toneelschool in Antwerpen en hoorde het toen ik een weekend thuis was. Op de trein terug voelde ik: ik moet nu iets zeggen. Tegen de tijd dat ik op Antwerpen-Centraal stond, had ik de hele tekst geschreven.
Tussen een vader en een zoon is het vaak: het is goed, jongen, we praten er niet over. Maar dit moest eruit. Eigenlijk wilde ik maar één ding zeggen: ik hou steeds meer van jou. Al die verschillen tussen ons doen er eigenlijk niet toe.’
Hoe reageerde hij?
‘Ik gaf hem het nummer op een cassettebandje. Een paar weken later vroeg ik wat hij ervan vond. Hij zei: Nou jongen, je beschrijft het zoals het is tussen ons. Dus het is goed. Dat was zijn manier om te zeggen dat hij er blij mee was. Hij kwam uit het oosten van Nederland. Rustig volk. Niet te gek doen. Dat is mooi, jongen. En dan stopte het daar.’
Wat maakt dat je het nog altijd zo graag zingt?
‘Een vriend wees mij er ooit op dat veel liedjes over vaders en zonen over het conflict gaan. Hij zei: Jouw lied slaat een brug. Dat had ik zelf nooit zo beseft. Daarom zing ik het nog altijd graag. Elke keer zing ik mijn vader dichterbij.’
Zijn er ook kleine gebaren waarin je hem terugvindt?
‘Mijn vader is uiteindelijk 92 geworden. Als we thuis gingen eten, begon hij te bidden, meestal vrijuit. Op een gegeven moment zag ik opeens die handen, die vingers die in elkaar sloten. Als kind dacht ik weleens: daar gaan we weer. Maar nu zag ik de schoonheid van dat gebaar. Twee handen die samenkomen.
In een voorstelling zit ook een liturgie. Er is een opbouw, een moment waarop de wezenlijke mededeling komt. Je past dat vaak onbewust toe. Die rituelen spelen dus nog altijd een rol.’
Je verbindt muziek ook met de mensen die vóór ons kwamen. Waar heb je dat geleerd?
‘In Zuid-Afrika zeiden muzikanten tegen mij: zingen is je voorouders een stem geven. Het heeft voor hen te maken met mensen die wij niet kunnen zien. Daar kwam ik als rationalist binnen. Ik voelde: hier kan ik iets leren. Later besefte ik: als ik in de spiegel kijk, zie ik mijn eigen voorouders.
Op mijn beste momenten achter de piano, met een band of alleen, ben ik er zelf eigenlijk niet meer. Mijn ego speelt geen rol.
Stef Bos
In West-Afrika leerde een man uit Sierra Leone mij drie akkoorden. Toen ik begon te zingen, vroeg hij: weet je wel wat muziek is? Ik zei nee. Hij zei: muziek is het onderbreken van stilte. Dat vond ik eerst vooral een mooie paradox. Later begreep ik hem pas. Het gaat niet alleen om het woord dat je zegt, maar om de toon, en om het wachten tot het volgende woord komt. Wat zich tussen de noten afspeelt, daar zit de spanning.
Op mijn beste momenten achter de piano, met een band of alleen, ben ik er zelf eigenlijk niet meer. Mijn ego speelt geen rol. Dan kom je in een gebied waar die hemel wel degelijk bestaat.’
Wanneer ervaar je die intensiteit nog?
‘Toen mijn moeder overleed, was ik intens verdrietig. Ik voelde dat zij met haar levenskracht nog veel langer had moeten leven.
Bij de geboorte van mijn kinderen voelde ik ook zo’n enorme, onbeschrijfelijke intensiteit. Je wordt in een soort tijdloosheid gegooid.
Soms kom je daar tijdens het zingen dicht bij. Als je het heelal inkijkt en die eindeloosheid ziet, is dat voor mij het goddelijke. Juist het deel van het leven dat we niet kunnen pakken.’
Helpt verwondering je om daar ruimte voor te maken?
‘Als ik hier naar buiten kijk, zie ik een plant met oranje bloemen. Ik kan daar de hele biologie op loslaten, uitleggen hoe het werkt. Of ik kan kijken en denken: het is een wonder. Ik kom uit een heel rationele cultuur. Maar je kunt niet alles uitleggen.
Het scheppingsverhaal van de Aboriginals gaat zo: op de eerste dag schiep de mens God. Dat vind ik ongelooflijk, want dan gooi je de spiritualiteit niet weg. Het kind in mij gelooft nog altijd in God. Dat is hetzelfde niveau: het gaat over onze verbeelding. En als wij ons God niet meer verbeelden, wat dan? Dat is de schoonheid van het leven: dat we bij God niet weten wat we hier aan het doen zijn.’
Misschien is alles anders dan je denkt, heet een van je nieuwe nummers. Wat maakt die gedachte bevrijdend?
‘Als wij aan onze eigen overtuiging zouden kunnen twijfelen, zouden we de ander ook niet zo gauw de hel aandoen. Misschien is alles anders dan je denkt is voor mij een verademing tegenover 'ik weet het'. Soms weet ik het, soms weet ik het helemaal niet. In dat tussengebied zit de muziek en zitten soms de woorden.
Met het ouder worden kan ik de dingen ook meer laten gebeuren. Als er tijdens het spelen iets moois ontstaat, hoef ik het niet meteen vast te houden. Vroeger wilde je dat vasthouden, en dan is het een nat stuk zeep.’
Je schreef begin jaren negentig De figuranten, over de oorlog in ex-Joegoslavië. Dat lied is nog altijd actueel.
‘Dat was een opdracht van de BRT. Ze hadden oorlogsbeelden en vroegen of ik daar een lied bij kon schrijven, zodat ik eronder zong terwijl die beelden liepen. Dat vond ik zo’n mooie manier van werken, omdat het dan niet over mij als zanger gaat. Je bent deel van mensen die beelden maken en je voegt daar iets aan toe.
En eigenlijk hebben die mensen die je daar ziet lopen, al die mensen die moeten vluchten van hun plek, dat nummer geschreven. Ik geef het vorm. Daarom blijft het actueel. Je had het gisteren kunnen schrijven. Ik heb het onlangs nog gezongen, met de tekst hier en daar wat bijgeschaafd.’
Tegenover de schoonheid staat een wereld met veel geweld. Wat kun je daar als muzikant betekenen?
‘Er zit een soort apathie in de wereld. We zien het gebeuren en denken: ze zijn zot geworden. Ik vind het angstaanjagend dat er op dit moment geen enkele pacifistische stroming is. Ik begrijp hoe moeilijk de politieke situatie is. Maar er is precies niemand die opstaat en zegt: stop. En ik ook niet.
Ik wil nog iets moois maken, maar dat voelt minder als ambitie.
Stef Bos
Ik was met een symfonisch orkest aan het repeteren toen de Verenigde Staten samen met Israël Iran aanvielen. Ik zat ernaar te kijken en dacht: wat ben ik blij dat ik met deze mensen iets mag doen dat met schoonheid te maken heeft, in plaats van alles kapot te maken. Misschien is dat wat we kunnen doen: iets moois maken. Precies het tegenovergestelde van wat we zien gebeuren. Liefde de wereld in sturen.’
Kun je je kinderen in deze tijd hetzelfde vertrouwen geven dat je zelf meekreeg?
‘Ik probeer hun dat gevoel te geven. Dat het goed komt. Dat dingen mis kunnen gaan, maar dat je een kompas in jezelf hebt. Dat je weet wie je bent en hoe je naar de wereld kijkt.
Onze werkelijkheid was kleiner. Wij hadden twee televisienetten. Mijn wereld speelde zich af in de zandafgraving en in de bossen, waar we met vriendjes onze eigen verhalen verzonnen. Kinderen krijgen nu een enorme hoeveelheid informatie over zich heen.
Maar ik wil optimistisch zijn. Ze verrassen me ook. Toen ik zelf met AI muziek had gemaakt, was ik verbijsterd over wat er kon. Mijn zoon luisterde en zei: Papa, dat is toch niet interessant? Grijs en leeg. Toen dacht ik: daar zit hoop. Misschien ontwikkelen zij een intuïtie voor wat echt is die wij een beetje uit het oog zijn verloren.’
Waar verlang je zelf nog naar?
‘Meer dan ooit, maar anders. Vroeger waren het grootse en meeslepende verlangens. Nu verlang ik niet naar niets, maar naar het niets. Naar ruimte om precies te kunnen kijken. Naar een bloem. Of langs de vaart lopen en de wolken lezen. Dat leer ik nu pas.
Ik wil nog iets moois maken, maar dat voelt minder als ambitie. Meer als: wat komt er nog uit? Mijn verlangen zit heel erg in de dag. Tegelijk voel ik: ik ben nog dingen aan het maken, maar ik ben ook dingen aan het achterlaten.’
Wat hoop je dat er van jou achterblijft?
‘Mijn jongste vroeg: Papa, waarom ben je al zo oud? Op een gegeven moment ga je dood. Ik zei: Ja, maar ik zit in jou. Alles wat wij nu meemaken, ga jij je later herinneren. Mijn papa en mama zitten ook in mij. Dat is de eerste hemel die ik me kan voorstellen. Dat wij in elkaar voortleven. Als het goed is.’





