‘De kracht van een afscheidsritueel’ - ziekenhuispastor Ine Pauwels getuigt
Het is een zaterdagnamiddag als mijn gsm rinkelt. Een verpleegkundige van neurologie aan de andere kant van de lijn: 'Zou jij naar hier kunnen komen? Een patiënte is stervende. Maar het is een heel grote familie, en ze staan hier allemaal op de gang. Ik denk niet dat ze een ritueel willen, maar kan jij proberen wat rust te brengen?' 'Ik heb geen magische formule voor opgedraaide families', zeg ik lachend, 'maar ik zal m’n best doen.'
In de ziekenhuisgang staan verschillende groepjes. Sommigen druk pratend. Anderen in stilte. Ik fladder langs elk groepje, stel me voor, probeer in gesprek te gaan. Het duurt al zeker een half uur eer ik eindelijk de kamer binnen geraak. Langzaam tast ik af bij wie ik moet zijn om vragen te stellen. 'In wat voor gezin is mama geboren? Waar houdt ze van? Wat kan mama goed? Wat is er zo typisch aan haar?' Het is balanceren tussen geïnteresseerd zijn en niet te nieuwsgierig overkomen.
Of ze ook graag een afscheidsritueel willen? 'We willen u niet beledigen, maar kunt ge dat, iets zonder God in den hoge en de hemel en zo? Gewoon een moment rond ons moeder en dat ze de liefste is.' Wat aarzelend formuleer ik haar levensverhaal, puzzelend uit alles wat de familie mij zonet heeft verteld. In plaats van te bidden, probeer ik de dankbaarheid in woorden te gieten en de betekenis van deze moeder voor vier generaties te duiden. Ik gebruik het beeld van de moestuin die zo belangrijk voor haar is. Een dochter pikt daarop in: 'Zoveel soorten tomaten mama kweekt, zoveel soorten kinderen en kleinkinderen zijn er ook. En we gaan allemaal anders om met dit verdriet.'
De familieleden druppelen binnen. Ook zij die eerst stellig zeiden dat ze op de gang bleven staan. De kamer geraakt stampvol, maar zonder dat het ook maar een ogenblik beklemmend wordt.
Na het ritueel voel ik dat er rust is gekomen. We praten nog wat na, er kan ook gelachen worden.
Vaak hangt verdriet als een soort olifant in de kamer.
Een ritueel brengt ruimte en openheid.
Het is moeilijk uit te drukken waar de kracht van een ritueel juist zit. Bij sommige mensen leeft het idee dat een ritueel nogal zweverig is. In mijn ervaring gebeurt eigenlijk net het omgekeerde: in het ritueel kan je heel nuchter zeggen wat er gezegd moet worden. Als spiritueel zorgverlener kan je benoemen dat iemand aan het sterven is. Vaak hangt het verdriet daar, als een soort olifant in de kamer. Het ritueel brengt ruimte en openheid. Het gaat niet om magie, maar om het aanvaarden van de onmacht. En juist daardoor ontstaat vaak het gevoel de situatie terug in handen te kunnen nemen. Daar zijn niet altijd woorden voor nodig.
'Ga je eens voorstellen bij deze patiënt', zei de hoofdverpleegkundige gastro-enterologie, 'de man is net hier en heeft te horen gekregen dat we niets meer voor hem kunnen doen. Geen idee of hij ervoor openstaat.'
'Allé, de volgende', zegt de patiënt droog. 'Als ge gaat sterven, staan ze hier ineens allemaal. Het palliatief team, de psycholoog. Die heb ik al wandelen gestuurd. Wie zijt gij dan?'
'Ik ben Ine. Ik werk op de dienst pastorale zorg en zingeving.'
'’t Was te denken', antwoordt hij, met enige ironie in zijn stem. 'Nee, praten is niks voor mij. Heb ik nooit gedaan.'
'Het hoeft ook helemaal niet', zeg ik. 'Het is een aanbod, geen verplichting. Is er iets wat ik voor uw familie zou kunnen doen?'
De patiënt vertelt over zijn kleinzoon van negen, die heel goed weet dat hij binnenkort afscheid moet nemen. 'Mag ik misschien een knuffel voor uw kleinzoon komen brengen? Iets dat jullie ook op dit moment verbindt. En voor hem een herinnering blijft.' Dat vindt hij wel goed. Ik mag diezelfde namiddag rond halfvijf even langskomen als de kleinzoon er ook is.
Met een grote tas vol knuffels kom ik de kamer binnen. Ik presenteer een beer, een hert, een vos, een konijn. Dat blijkt het allemaal niet te zijn voor de jongen. Helemaal onderaan in de tas zit een kabouter met een grijze baard. Die vind ik zelf ongelooflijk lelijk, eigenlijk had ik hem daarom een beetje beschaamd vanonder in de tas gestopt. De jongen ziet de kabouter en begint te lachen.
'Dat is ‘m!' roept hij. 'Dat is de knuffel om aan ons vake te denken. Hij heeft ook een kaal hoofd en een baard.' Hij kruipt met de kabouter bij vake op bed. Ik pak m’n spullen bij elkaar en verdwijn stilletjes uit de kamer.
• Ine Pauwels is ziekenhuispastor in Ziekenhuis Oost-Limburg.




