Je wil je tuin opnieuw ontwerpen? Alles begint bij de locatie
De winter is een uitstekende tijd om een tuin grondig te herdenken. Je ziet dan beter de grote structuren en perceelsgrenzen.
Een tuin opnieuw ontwerpen begint niet met het zoeken naar nieuwe plantensoorten, maar met het spelen in je verbeelding met grotere bouwstenen – of groenvormen – binnen de mogelijkheden van de locatie. Er zijn dus twee stappen:
- Locatie leren kennen: daarvoor krijg je in dit artikel de nodige handvatten.
- Puzzelen met bouwstenen: daarover lees je meer in een volgend artikel.
Een tuinontwerp waar je jaren plezier van hebt, begint met een goed begrip van de plek zelf. De locatie bepaalt wat kan, wat moeite kost en wat vanzelf gaat.
Op gevoel of op papier
Veel mensen ontwerpen hun tuin op gevoel, beetje bij beetje bijsturend, observerend en stappen tellend voor ruwe afmetingen. Zo doe ik het zelf, en dat werkt prima.
Wil je heel je tuin ineens herinrichten, dan is het zinvol om een plannetje te tekenen. Dat hoeft niet hyperprecies te zijn, maar toch met realistische verhoudingen.
- Teken je perceel op schaal, met het noorden bovenaan. Gebruik bijvoorbeeld Geopunt om de afmetingen te bepalen.
- Een goede schaal om een gemiddelde Vlaamse tuin te tekenen is meestal 1:100. Dat betekent: 1 cm op papier = 1 m in de tuin. Op ruitjespapier is één ruitje van 5 mm gelijk aan 50 cm in het echt.
- Duid de vaste elementen aan: perceelsgrenzen, woning, garage, tuinhuis, terrassen, oprit, waterput, bestaande bomen.
Oppervlakte
De locatie van je tuin kennen, is op de eerste plaats een zaak van oppervlakte. Hoeveel ruimte heb je beschikbaar om te tuinieren? Heb je genoeg ruimte voor een heg, een bosje of een moestuin?
Wees realistisch over de ruimte die je hebt. Via Geopunt kan je gemakkelijk de globale oppervlakte van je tuin berekenen en ook de oppervlakte van deelzones.
In het volgende artikel vertellen we je meer over de volwassen grootte van verschillende groenvormen en de wettelijke afstanden tot perceelsgrenzen.
Standplaats en gerichtheid
Planten leven van zonlicht. Het is dus van belang dat je weet welke zones in je tuin veel zon krijgen en welke minder. Tuiniers onderscheiden verschillende standplaatsen:
- volle zon: meer dan 6 uur zon per dag in de zomer,
- halfschaduw: 3 tot 6 uur zon per dag in de zomer,
- schaduw: minder dan 3 uur zon per dag in de zomer.
Voor elke zone in de tuin is niet de ligging in het perceel van belang, maar wel de gerichtheid. Ga met je rug staan naar een muur van je huis, een omheining, de zijmuur van de buren of een haag en kijk de open ruimte van je tuin in. Dat is de gerichtheid.
- Een noordgerichte zone in je tuin is altijd een schaduwplek. De zon staat nooit in het noorden – hoogstens komt er een uurtje of twee zon in de ochtend of avond.
- Een zuidgerichte zone is meestal volle zon. Al kunnen bomen, struiken, hagen en andere structuren ook daar voor meer schaduw zorgen.
- Oost- en westgerichte zones zijn vaak halfschaduw. Toch zijn oostgerichte zones soms eerder schaduw en westgerichte zones soms volle zon. Ochtendzon is minder sterk dan avondzon.
Bodemtype
De bodem vormt het stille fundament van je tuin. De grondsoort bepaalt mee welke groenvormen haalbaar zijn en hoeveel inspanning ze vragen. Dat zal in een latere fase van je tuinontwerp ook je plantkeuze sturen. Via Geopunt kan je het bodemtype van je tuin opzoeken.
- Zand: doorgaans droog, sterk waterdoorlatend, minder vruchtbaar, licht bewerkbaar, eerder zuur.
- Klei: weinig waterdoorlatend, vaak nat in de winter en hard in de zomer, meestal rijk aan voedingsstoffen, moeilijk bewerkbaar, eerder kalkhoudend.
- Leem: iets tussen zand en klei in, een evenwichtige bodem met goede water- en voedinghuishouding.
In een stedelijke omgeving spreekt Geopunt vaak van een antropogene bodem. Menselijk ingrijpen – aanvullen en afgraven van gronden – bepaalt daar de aard van de bodem.
Je kan ook via eigen observatie het bodemtype bepalen met een kneedtest. Graaf een putje en neem een handvol tuinaarde van op ongeveer 20 cm diepte. Knijp die aarde samen in je handen.
- Valt de aarde los uit elkaar, dan bestaat je bodem uit zand.
- Kan je een rolletje en zelfs een hoefijzer maken, dan heb je te maken met leem.
- Kan je de grond heel fijn boetseren, dan bestaat die uit klei.
Aan de minerale structuur van je bodem – zand, klei, leem of iets daartussen – kan je niets veranderen. Het is wat het is.
Humus
Alle bodemtypes worden beter voor planten als ze veel organisch materiaal of humus bevatten. Ze worden dan vruchtbaarder en de waterhuishouding verbetert. Met veel humus houden zandgronden water beter vast en worden kleibodems beter waterdoorlatend. Altijd winst.
Een bodem met veel organisch materiaal herken je aan:
- Dode plantenresten bovenop: de strooisellaag
- Zwarte, kruimelige aarde in de bovenste laag
- Regenwormen als je een putje graaft
- Andere kruipende diertjes in de strooisellaag
- Een typische bosgeur
Hoe dikker de laag met zwarte, humusrijke grond, hoe langer de bodem goed beheerd is. Wat je zelf kan doen om de bodem te verbeteren: veel mulchen. Groenvormen die wat meer voedsel nodig hebben – moestuin, gazon, rozen, eenjarige bloeiende planten, frambozen en andere bessen – kunnen jaarlijks een laagje compost gebruiken.
Bodemverdichting
Planten groeien het best in een luchtige bodem die ook op grotere diepte (1 meter en meer) los blijft. Zelfs een gewone paardenbloem wortelt tot 2,5 meter diep als hij kan!
Een belangrijk probleem in veel tuinen is dat de bodem compact is geworden. Dat kan verschillende oorzaken hebben.
- Regelmatig belopen
- Plaatsen van zware voorwerpen of berijden met voertuigen, bijvoorbeeld tijdens bouwwerken
- Ondergrondse structuren: waterput, parking, voormalige fundamenten
- Een harde laag puin of bouwafval die bedekt is met een oppervlakkige laag tuinaarde
Oppervlakkige compactie door belopen kan je testen door met de spade een kluit aarde van 20x20x20 cm uit te steken en die vanop een meter hoogte op de grond te laten vallen. Valt de kluit grotendeels kruimelig uit elkaar, dan is er geen oppervlakkige compactie. Zie je grotere brokken met scherpe punten, dan is er sprake van bodemverdichting. Meer weten over de bodemtest?
Oppervlakkige compactie door belopen kan je zelf oplossen:
- prikken en opwippen met de woelvork of spitvork (niet spitten),
- regelmatig mulchen,
- inzaaien met diepwortelende groenbemesters, zoals incarnaatklaver of bladrammenas.
Diepere verdichting vraagt meestal om een machinale oplossing.
Water
Behalve licht en een luchtige bodem, hebben planten water nodig. Ervaring leert je welke delen van je tuin de neiging hebben om uit te drogen of nat te blijven staan. Zoals hierboven uitgelegd speelt het bodemtype (zand of klei) een belangrijke rol.
Lage zones in de tuin zijn doorgaans vochtiger dan hogere. Hoekjes met veel schaduw zijn meestal vochtiger dan zonnige plekken. Al kunnen bomen, struiken en gebouwen ook voor een regenschaduw zorgen, vooral oost- en noordgericht. Vochtige wind en regen komen bij ons meestal uit het zuidwesten. Droge wind komt vaker uit het noorden en oosten.
Lange periodes van droogte komen steeds vaker voor. Slimme tuiniers laten regenwater zoveel mogelijk insijpelen en maken van hun tuin een sponstuin.
Even problematisch zijn de steeds frequentere piekregens: grote hoeveelheden regen op korte tijd die straten, tuinen en velden blank zetten. Je kan op Geopunt opzoeken of je tuin een verhoogd risico heeft op overstromingen.
Plan je om regenpijpen af te koppelen en regenwater in de tuin te laten stromen? Dan kan je zelf de waterdoorlaatbaarheid van je tuin testen met een infiltratieproef.
Verontreiniging
Wil je eten uit eigen tuin – fruit, moestuin, eieren van kippen – dan is het belangrijk dat de bodem niet verontreinigd is. Historische verontreiniging is soms te achterhalen via Geopunt.
De website Gezond uit eigen grond van de Vlaamse Overheid biedt tests en tips voor gezonde voeding uit eigen tuin.
Omgevingsgroen
Je tuin staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een groter geheel van tuinen, bermen, parken, waterlopen en natuurgebiedjes. Wie zijn tuin opnieuw inricht, doet er goed aan ook dat ruimere landschap mee te lezen. Kijk wat er groeit en leeft in de omgeving, welke bomen en struiken zie je terugkomen, welke kleine landschapselementen komen veel voor? Gebruik Google Maps (zoek op 'natuurgebied'), Natuurpunt of Geopunt om interessante natuur in je buurt te vinden.
Omgevingsgroen vertelt veel over wat hier van nature thuishoort en het zonder veel moeite goed doet. Laat je je voor de inrichting van je tuin inspireren door de omgeving, dan wordt je tuin een ecologische stapsteen voor de dieren die daar leven.
Bij de 18 Regionale Landschappen in Vlaanderen kan je terecht om meer te leren over streekeigen natuur via activiteiten en publicaties. Via groepsaankopen kan je er zelfs streekeigen plantgoed aanschaffen om je tuin mee te beplanten.
Wie de locatie van zijn tuin gaandeweg leert lezen – van bodem en licht tot water en omgeving – legt de basis voor keuzes die kloppen op lange termijn. In het volgende artikel zoomen we in op de verschillende groenvormen waarmee je kan puzzelen in je nieuwe tuinontwerp.