Biber en Bach in de Blindekenskapel in Brugge [Soni Sacri - Otheo Radio]
Soundcloud
In deze aflevering van Soni Sacri op Otheo Radio hoort u eerst een gesprek met Lucia Swarts, gevolgd door het concert.
Uit het programma lichten we twee composities toe.
Sonate nr. 5 in e-klein – Heinrich Ignaz Franz Biber
De Boheemse barokcomponist Heinrich Ignaz Franz Biber is vooral bekend van zijn meesterwerk, de Rozenkranssonates. Hij geldt als een van de belangrijkste vioolcomponisten uit de muziekgeschiedenis. Dankzij zijn uitzonderlijke techniek kon hij verschillende registers combineren in complexe, polyfone passages.
De Sonate nr. 5 in e-klein maakt deel uit van een reeks vioolsonates die in 1681 in Salzburg werden gepubliceerd. In dit werk verkent Biber de grenzen van wat technisch mogelijk is op de viool. De sonate bevat een rijke afwisseling van dubbel- en tripelgrepen, waarbij meerdere snaren tegelijk worden bespeeld, en virtuoze passages.
Het stuk is geschreven voor soloviool en basso continuo. In hedendaagse uitvoeringen wordt dat continuo doorgaans verzorgd door een combinatie van instrumenten zoals klavecimbel, theorbe of luit, en viola da gamba of cello.
2. Chaconne voor viool solo uit de Vioolpartita nr. 23, BWV 1004.
Voorts is er natuurlijk Johann Sebastian Bach met o.a. de Chaconne voor viool solo (op indrukwekkende en voor mij zelfs ontroerend invoelende manier gespeeld door Ryo Terakado, echt nog nooit zo'n mooie uitvoering van deze Chaconne gehoord) uit de vioolpartita nr. 2 BWV 1004.
Rond deze partita hangt een sluier van weemoed. De partituur dateert uit 1720. Toen Bach na een reis terugkeerde, vernam hij dat zijn vrouw, Maria Barbara, onverwacht was overleden en al begraven. Zelfs als het werk eerder gecomponeerd werd, krijgt het in dat licht onvermijdelijk een diepere, persoonlijke betekenis.
Die geladenheid culmineert in de monumentale Chaconne, het slotdeel van de partita. Ook de snellere dansen missen elke lichtvoetigheid en dragen een ondertoon van ernst. De chaconne zelf is opgebouwd als een reeks variaties op een voortdurend herhaalde baslijn, een vorm die Bach tot ongekende expressieve diepte voert.
In de slotmaten klinkt dezelfde noot dubbel, op twee snaren tegelijk. Twee stemmen die samenvallen tot één, een muzikaal gebaar dat als troost kan worden gehoord, misschien ook voor de rouwende Bach.
Bachs solowerken sluiten aan bij een rijke traditie van componisten als Westhoff, Biber, Matteis en Schop. Toch verschuift bij Bach de focus, minder op uiterlijke virtuositeit, meer op innerlijke zeggingskracht en de illusie van meerstemmigheid op één enkel instrument.
Speellijst
Ryo Terakado (barokviool), Lucia Swarts (cello) en Siebe Henstra (klavecimbel)
1. H.I.F. Biber (1644-1705) sonata nr. 5 in e-klein
2. J.S. Bach sonata, BWV 1021 voor viool, violoncello en basso continuo in G-groot
Adagio
Vivace
Largo
Presto
3. Fr. Couperin (1668-1733). Uit troisième Ordre in c-klein (Premier Livre de Pièces clavecin, 1713)
Allemande-La Ténébreuse
Chaconne a deux tems-La Favorite
4. J.S. Bach (1685-1750). Uit Vioolpartita nr.2 BWV 1004
Chaconne voor viool solo
5. A. Vivaldi (1678-1741) sonata in e-klein, voor cello en basso continuo
Largo
Allegro
Largo
6. J.S. Bach sonata, BWV 1023 voor viool, violoncello en basso continuo in e-klein
deel 1, heeft geen titel
Adagio, ma non tanto
Allemanda
Gigue
Bis-nummer:
J.S. Bach sonata, BWV 1021 voor viool, violoncello en basso continuo in G-groot
Presto
(Opnametechnicus: Leo A. De Bock)