Redactrice Liselotte Anckaert neemt deel aan Tralies uit de weg: 9 mythes over leven achter tralies
In 2001 zette ik voor het eerst voet in een gevangenis. Ik was pas 22 en belandde in een voor mij volstrekt onbekende wereld. Aanleiding was het pilootproject ‘Gevangenen bevrijden’ (nu Tralies uit de weg) waarbij vrijwilligers van buiten de muren in gesprek gaan met gedetineerden. Bijna een kwarteeuw later vertoefde ik opnieuw zes avonden in het Penitentiair Complex van Brugge. Benieuwd of mijn blik op gedetineerden en op het leven in de gevangenis door de jaren veranderd was. In dit stuk maak ik graag komaf met negen hardnekkige mythes over het leven achter tralies.
Mythe 1: 'In een gevangenis valt er weinig te beleven'
Regel één in de gevangenis: ‘Pas als de ene deur dicht gaat, kan een andere opengaan.’ Figuurlijk vind ik dat een mooie en vaak troostende gedachte, maar hier is geen tijd voor toogfilosofie.
Klik! De zware buitendeur geeft teken dat ik naar binnen mag. Even later valt ze met hetzelfde geluid terug in het slot. Ik ben te vroeg, maar dat vind ik niet erg. Zo kan ik me rustig voorbereiden. Niemand slaat acht op mij. De stilte is echter ver te zoeken. In de inkomhal van de gevangenis krioelt het van de mensen. Het is woensdag en dan is er bezoek toegestaan. Ik had verwacht hier alleen te zijn …
Klik! Een vrouw komt vanuit een andere deur de hal binnengestapt. Met haar ene hand duwt ze een kinderwagen met een huilende baby voor zich uit. In haar andere hand houdt ze enkele documenten klaar. Ondertussen trekt een meisje zeurend aan haar mouw. Ze heeft honger en wil naar huis. Maar zo vlug gaat dat hier niet.
Het lijkt of ik in een spelletje tafeltennis ben beland.
Klik! Opnieuw gaat de buitendeur open. Een man in een kostuum stapt naar binnen. Hij kent hier duidelijk zijn weg. Wellicht een advocaat. Intussen gooit een kind zich op de muffe vloer. ‘Opstaan’, schreeuwt een vrouw.
Klik! Het lijkt wel of ik in een spelletje tafeltennis ben beland, maar dan met mensen en deuren in plaats van met balletjes en batjes. Ik ben nog geen tien minuten in de gevangenis en kom nu al ogen en oren te kort. Ik dacht dat er in een gevangenis nauwelijks iets te beleven viel. Of toch zeker niet in een inkomhal. Die blijkt evenwel het zenuwcentrum van de gevangenis te zijn. En dat is nog maar het begin.
De gevangenis is duidelijk veel meer dan een plek waar mensen worden opgesloten. Het is een microkosmos van menselijke relaties en interacties. Het verschil met de buitenwereld blijkt op het eerste gezicht minder groot te zijn dan verwacht.
Klik! Daar is de gevangenisaalmoezenier! Eindelijk, een vertrouwd gezicht!
Mythe 2: 'Gedetineerden hou je best op afstand'
Eenmaal in de kapel van de gevangenis voelen mijn handen klam aan. Links en rechts van mij staat een lege stoel. Het liefst had ik me veilig genesteld tussen twee andere vrijwilligers. ‘Je bent hier niet om je te verstoppen, maar om gedetineerden te ontmoeten’, roep ik mezelf tot de orde. Mijn hoofd barst van de vragen. Wat zal ik straks zeggen? En hoe moet ik hen begroeten? Geef ik hen een hand? Zeg ik mijn naam? Kijk ik hen aan?
Terwijl we zitten te wachten, loopt er een koude rilling over mijn rug. De kapel voelt kil aan en de kapotte luster aan het plafond maakt het er niet beter op. Wat meer licht zou de ruimte beslist wat vrolijker doen ogen en misschien zelfs de gemoedstoestand van gedetineerden verbeteren.
Terwijl we zitten te wachten, loopt er een koude rilling over mijn rug.
Het geluid van voetstappen en zware stemmen onderbreekt mijn gedachten. Zes mannen komen de kapel binnen. Sommigen houden het fluohesje, dat ze verplicht op de gang moeten dragen, nog even aan. Anderen gooien het meteen van zich af. ‘Ik ben Liselotte’, glimlach ik en geef iedereen spontaan een hand.
Na enkele korte opdrachten is het ijs gebroken en lijken de barrières tussen ‘wij, vrijwilligers’ en ‘zij, gedetineerden’ verdwenen. Om aan te geven dat we respectvol, zonder vooroordelen en met vertrouwen met elkaar willen omgaan, tekenen we één voor één onze hand op een tafeldoek. Onze getuige is Winnie De Poeh, de klungelige beer uit de boeken van de Britse schrijver Alan Alexander Milne. Voor zes weken wordt de knuffel onze spreekstok. Enkel wie de stok vasthoudt, mag spreken.
Net zo gespannen als toen ik de gevangenis binnenstapte, keer ik ’s avonds opgelucht en blijgezind terug naar huis. Angst om gevangenen te ontmoeten, blijkt nergens voor nodig. Afstand houden al evenmin. Gewoon jezelf zijn is de beste manier om oprecht verbinding te maken, vooral in een nieuwe en potentieel ongemakkelijke omgeving. Eenvoudige gebaren, zoals een knikje, een glimlach of een handdruk, helpen daarbij. Ze zijn vaak de beste manier om barrières te doorbreken.
Mythe 3: ‘De gevangenis zit vol met ‘slechte’ mensen’
‘Liselotte, besef je wel dat ik jouw zoon zou kunnen zijn … en jij dus mijn moeder?’ De vraag van de jongste gedetineerde overvalt me. Even ben ik uit het lood geslagen - zo had ik hem nog niet bekeken. Mijn zoon is bijna zeventien. Dus ja, het zou kunnen, maar mijn zoon in de gevangenis? Neen, dat kan ik me eigenlijk niet voorstellen.
Liselotte, besef je wel dat ik jouw zoon zou kunnen zijn?
Dertig jaar geleden vroeg een van mijn professoren aan de KU Leuven wie er geloofde dat ‘iedereen tot een misdrijf in staat is’. Ik stak toen vol overtuiging mijn hand op. Oog in oog met deze jongeman verandert de gevangenis van een louter fysieke ruimte in een symbolische ruimte, waarin ik geconfronteerd word met mijn eigen kwetsbaarheid.
’s Avonds vertel ik mijn zoon over de beklijvende ervaring. Ook hij is zich bewust van de vele kansen die hij krijgt en dat het echt wel een verschil maakt waar je wieg staat. Hoe onrechtvaardig kan het leven zijn? Wat als de jongeman wel in een warm nest was opgegroeid? Welk leven zou hij dan leiden? We komen tot de vaststelling dat kansen krijgen alleen niet voldoende is. Ook als alles in het leven meezit, kan je op het foute pad belanden. Er bestaat ook iets als je verantwoordelijkheid nemen, en dat kan best eng zijn.
Ook als het leven meezit, kan je op het foute pad belanden.
Even later lees ik in het boek De Kansenfabriek van Leen Muylken. Ze schrijft: ‘Gedetineerden behandelen als mensen wil zeggen hen eigenaar maken van hun successen en hun fouten. … Mensen willen het zelden goed doen om een bepaald systeem te volgen of om mensen tevreden te stellen die ergens ver weg anoniem in een bureau zitten. Mensen willen het goed doen omdat ze de anderen die in hen geloven, trots willen maken.’ (blz. 157).
Mythe 4: ‘Vrijheid is voor gevangenen het hoogste goed’
‘Liberté!’, juicht de jongeman als de zware deur van de gevangenis achter hem in het slot valt. Meteen wordt hij omringd door enkele andere jonge mannen. Na maanden van opsluiting lacht de wereld hem opnieuw toe. Vrij zijn lijkt een fantastisch gevoel.
Of toch niet bij iedereen, merk ik later binnen. Een van de gedetineerden van de groep mag daags nadien naar huis. ‘Vanaf morgen zit ik weer de hele tijd in mijn eentje op mijn appartement. Ik hoop dat het lukt. Hier in de gevangenis heb ik ten minste gezelschap en hebben de dagen een vaste structuur. En er wordt voor mij gezorgd.’ De andere gedetineerden knikken begrijpend. Ze weten als geen ander hoe broos het leven is en vooral hoe breekbaar het evenwicht tussen volharding en herval.
Heel wat gedetineerden blijken niet of onvoldoende voorbereid om opnieuw te functioneren buiten de muren.
Een week later staat een vrouw met twee propvolle plastic tassen voor de ingang van de gevangenis. Ze lijkt op iemand te wachten, maar voorlopig is er niemand te bespeuren. Bezorgd vraag ik me af waar ze heen kan en welk leven ze tegemoet gaat.
Eenmaal vrij hopen veel gedetineerden op een nieuw begin, maar de angst voor leegte en de kans op herval zijn blijkbaar erg groot. Heel wat gedetineerden blijken niet of onvoldoende voorbereid te zijn om opnieuw te functioneren buiten de muren. Herstel gaat zoveel verder dan fysieke vrijheid. Het is een proces van re-integratie, van zelfvertrouwen opbouwen en van leren omgaan met de verantwoordelijkheid die vrijheid met zich meebrengt.
Mythe 5: ‘In de gevangenis is alles voorspelbaar’
‘Vandaag zou ik worden vrijgelaten’, zegt een andere gedetineerde een week later met tranen in de ogen. ‘Dat hadden ze me beloofd… Met horten en stoten vertelt hij wat er gaande is. ‘Het is niet eerlijk. Ik ben al weken aan het aftellen. En mijn vriendin en dochtertje ook.’ Iedereen voelt de pijn van de man die anders zo stoer lijkt. Hij was bijna vrij en nu zit hij weer vast in onzekerheid.
Iedereen voelt de pijn van de man die anders zo stoer lijkt.
Voor de buitenwereld lijkt het leven in een gevangenis voorspelbaar, saai en eentonig. Strikte regels en een dagelijkse routine zijn nodig. Dat merk je als de cipiers staken en de gedetineerden nog meer dan anders worden beperkt in hun vrijheid. Voor sommigen brengt de verstoring van hun dagelijkse ritme ook stress en mentale gezondheidsproblemen teweeg, bovenop de onzekerheid die sowieso al binnen de muren heerst. Veel gevangenen worstelen met hun identiteit, hun verleden en hun toekomst, en proberen intussen te overleven in een omgeving waar macht en controle heersen en persoonlijke vrijheid beperkt is.
Een week later ben ik opnieuw in de inkomhal. Tijd om na te denken is er niet. ‘Jouw beurt!’, wenkt een van de beambten me. ‘Kwam je hier al eerder?’, vraagt hij, terwijl ik mijn identiteitskaart afgeef en hij me van kop tot teen screent. ‘Ja, meer dan twintig jaar geleden’, reageer ik. De man fronst zijn wenkbrauwen. ‘Als bezoeker hé’, grap ik. Toch voelen mijn handen opnieuw klam aan. Dan noemt de beambte de datum en het tijdstip van mijn laatste bezoek. Klopt! In de gevangenis zijn er geen geheimen…
Klik! De binnendeur gaat open. ‘Eén minuut! Ik was één minuut te laat’, snikt een vrouw zichtbaar ontredderd. ‘Weten ze hier dan niet hoe ver ik moet reizen? Nu moet ik helemaal terug... En voor niets, hé... We keken er zo naar uit elkaar terug te zien.’
Haar woorden raken me. Ook bezoekers worden soms geconfronteerd met onvoorziene situaties. Maakt die ene minuut nu echt het verschil? Of speelt er iets anders mee? Een week later komen twee gedetineerden met een uitgaansvergunning enkele minuten te laat terug aan in de gevangenis. ‘Onze bus had vertraging’, leggen ze uit. De beambte schudt zijn hoofd maar laat hen toch binnen. ‘En de volgende keer op tijd, hè!’
Ook bezoekers worden soms geconfronteerd met onvoorziene situaties.
Aan regels en controle is er in een gevangenis duidelijk geen gebrek. Gelukkig is er ook binnen de muren ruimte voor flexibiliteit in de toepassing van regels. Zoals ook Jezus de wet niet loochende, maar als het er op aankwam de liefde boven de wet plaatste. Met die troostende gedachte keer ik ’s avonds terug naar huis.
Mythe 6: ‘In de gevangenis is het ieder voor zich’
‘Ik heb goed nieuws’, verrast een van de gedetineerden ons. ‘Via familie van mijn celgenoot heb ik zicht op een appartementje als ik vrijkom. Dat iemand zoiets voor me doet, vind ik ongelofelijk’, zegt hij met tranen in de ogen. ‘Dat vergeet ik nooit…’ (Onderaan deze tekst lees je de volledige getuigenis van de gedetineerde.)
Op slag is de kapel gevuld met een positieve en lichte energie. Het lijkt zelfs even of de kapotte luster is hersteld. De onverwachte getuigenis geeft iedereen hoop. Na de slechtnieuwsverhalen van vorige week vroeg ik me af of het niet allemaal druppels op een hete plaat waren, maar de gevangenis blijkt duidelijk meer dan een plek van kommer en kwel waar het ieder voor zich is. Ook binnen de muren blijkt solidariteit mogelijk.
Buiten regent het. De druppels deinen uit en maken cirkels. Het beeld sterkt me in de overtuiging dat er zelfs in de donkerste omstandigheden altijd lichtpuntjes zijn. Wanneer mensen oprecht om elkaar bekommerd zijn, is er veel mogelijk. Het lijken soms slechts kleine druppels, maar elke daad van waarachtige liefde is nooit zonder effect aan de binnenkant of in de diepte.
Er is geen leven mogelijk zonder pijn, verdriet, angst, rusteloosheid en verwarring. En wie we willen, of denken te moeten, zijn is altijd mooier, grootser, liefdevoller en milder. Maar we zijn allen mensen van vlees en bloed. We struikelen en krabbelen overeind. We vallen en staan weer op. Steeds opnieuw, zoals Stef Bos in het Lied van Petrus zingt: ‘Beter op zoek gaan dan altijd gewacht. Beter gevallen dan nooit gesprongen. En beter de liefde verloren dan nooit liefgehad’.’
Mythe 7: ‘In de gevangenis leer je niets bij’
‘Een jongen uit mijn klas kreeg vandaag straf ’, vertelt mijn dochter.
‘Hoezo?’, vraag ik nieuwsgierig.
‘Hij staarde de hele tijd naar de muur en moet nu vijf bladzijden schrijven met de zin ‘Ik staarde naar de muur’… Wat is dat nu voor een straf?!’
‘En wat zou jij een goeie straf vinden?’, vraag ik haar. ‘Ik weet het niet, maar zo leer je toch niets bij.
De leerkracht vroeg niet eens waarom hij dat deed. Misschien had hij wel een goeie reden. Zo verandert er toch niets?’
Diezelfde avond vertellen twee gedetineerden dat ze een certificaat van ‘agressiebeheersing’ behaalden. De cursus gaf hen waardevolle inzichten over onder andere de dynamiek van actie en reactie tussen mensen. En die blijken vruchten af te werpen.
‘Vandaag ben ik niet gaan wandelen’, vertelt een van de twee gedetineerden een week later. ‘Ik was bang dat sommige anderen me opnieuw zouden lastigvallen en wilde me tegen mezelf beschermen. Ik weet dat ik kalm moet blijven maar als ik me in een hoek gedreven voel, is zelfbeheersing niet mijn sterkste punt. En als ik te veel prikkels ontvang, begint het in mijn hoofd te draaien. Dan kan ik mijn emoties soms moeilijk onder controle houden.’
Enkele andere gedetineerden vertellen over de cursussen die ze in de gevangenis volgden of de boeken die ze uit de bibliotheek ontleenden. Sommigen proberen ook te werken. ‘Zo zit je niet de hele dag op cel en kan je je een extraatje veroorloven.’
Ook deze gespreksgroepen, waarin ze hun ervaringen delen met elkaar en met mensen van buiten, zet blijkbaar iets in beweging. ‘Dankzij de gesprekken met jullie leerden we al veel bij. Maar wat hebben jullie daar nu eigenlijk aan om ons week na week te komen bezoeken? Als je hoort wat er in de media over ons verteld wordt, dan blijf je toch weg?’
Mythe 8: ‘Wie zich inlaat met gedetineerden, heeft geen aandacht voor slachtoffers’
Zenuwachtig kijk ik op de klok. Het is al voorbij 20.30 uur en dochterlief is nog altijd niet thuis. ‘Misschien is de training wat uitgelopen’, sus ik mezelf maar twee minuten later kijk ik alweer bezorgd hoe laat het is. Ik mag me niet voorstellen dat er iets ernstigs is gebeurd. Ongewild schieten mijn gedachten naar de gevangenis. ‘Als een van onze kinderen het slachtoffer van een misdrijf wordt, zou ik dan nog met dezelfde empathie naar gedetineerden kunnen kijken?’, vraag ik me nu al enkele weken af. ‘En doe ik slachtoffers niet tekort door me met gevangenen in te laten?’
Het geluid van de garagepoort verlost me uit mijn doemdenken. Welgezind zwaait dochterlief de keukendeur open. Zich van geen kwaad bewust…
Als een van onze kinderen het slachtoffer van een misdrijf wordt, zou ik dan nog met dezelfde empathie naar gedetineerden kunnen kijken?
Een week later raak ik als bij toeval verwikkeld in een gesprek tussen twee vrouwen. Een van hen werd onlangs het slachtoffer van een aanval, die net geen aanranding bleek te zijn. ‘Ik voelde me bij de politie behandeld als een nummer’, vertelt ze verontwaardigd. ‘Enkel de feiten waren belangrijk, niet hoe ik me voelde…’
Hoewel ik gehaast ben, blijf ik luisteren. Wat ze vertelt, klinkt vreselijk. ‘Mijn ouders weten ervan,’ zegt ze, ‘maar ik wil hen niet tot last zijn.’ Ik begrijp de vrouw. ‘En toch lijkt het me belangrijk dat je bij iemand terechtkan’, zeg ik haar voor we vertrekken en ik geef haar een bemoedigend schouderklopje.
Wanneer ik buitenkom is de donkere lucht opgeklaard en lijkt de vraag die me al even bezighoudt als vanzelf beantwoord. Oprecht meeleven met zowel daders als slachtoffers is wel degelijk mogelijk, zonder dat je aan een van hen onrecht doet. Empathie vertonen voor een dader betekent niet dat je zijn of haar acties goedkeurt of accepteert.
Mythe 9: ‘Uit het oog, uit het hart’
Na zes weken zijn we nog lang niet uitgepraat. Voor de laatste keer weerklinkt ieders naam en wordt de kaars op het midden van de tafel aangestoken. Voor de laatste keer worden handen geschud of een schouderklop gegeven. Hier en daar volgt zelfs een welgemeende knuffel. Wie had het ook alweer over afstand houden?
De spreuk op de kaars – Kracht groeit door geloof – behoeft geen woorden meer. Ook Winnie De Poeh, onze spreekstok, wordt het zwijgen opgelegd. Een van zijn uitspraken weerklinkt in mijn hoofd: ‘Als er ooit een dag komt dat we elkaar niet meer kunnen zien, weet dan dat je altijd in mijn hart zit.’
Geen klein en bang hartje meer zoals in het begin, maar een hart waarin ruimte is voor alles wat er werd gedeeld en gevoeld.
Neen, hier houdt het niet op. Ook al zien we elkaar nooit meer terug, we blijven verbonden…
Meermaals had ik de afgelopen tijd een krop in mijn keel of stelde ik me ernstige vragen. Maar evenveel heb ik in de gevangenis gelachen en telkens keerde ik met een tevreden en voldaan gevoel terug naar huis. Neen, hier houdt het niet op. Ook al zien we elkaar nooit meer terug, we blijven verbonden…
Om onze goede voornemens concreet te maken, krijgt iedere vrijwilliger van de aalmoezenier een ‘klavervierplantje’ mee naar huis, samen met de naam van een van de gedetineerden. Bedoeling is het plantje te laten groeien en goed te verzorgen als teken van een blijvende verbondenheid en oprechte bekommernis.
Zelf geef ik iedere gedetineerde nog een wens mee, persoonlijk ondertekend door iedere vrijwilliger.
Ik wens
dat een droom je gaande houdt,
dat je omringd mag zijn met mensen
die het goede in je zien,
dat je oprechte vriendschap mag ervaren
en dat schoonheid je hart mag beroeren.
Ik wens
dat ook jouw leven een zegen mag zijn,
dat ook jij licht mag en kan brengen en
iets voor anderen kunt betekenen,
soms klein, soms groot
maar hoe dan ook waardevol.
Ik wens vooral
dat je blijft geloven in jezelf…
Wij geloven alvast in jou!
Liselotte, 26 februari 2025
Meer informatie of je aanmelden als vrijwilliger of deelnemer van een gespreksgroep kan via Tralies uit de weg
Reflectie
Wat heeft jou in deze tekst het meest geraakt en/of aan het denken gezet?
Welke beeld of vooroordeel heb je zelf over gedetineerden en het leven in de gevangenis?
Reageren kan via liselotte.anckaert@otheo.be
Getuigenis van een gedetineerde
‘Uit mezelf had ik wellicht niet deelgenomen, maar mijn celgenoot, die voorheen al een gespreksreeks volgde, was enthousiast en motiveerde me. ‘Waarom niet dus?’, dacht ik. ‘Wat had ik te verliezen? En het is een keer iets anders dan op cel zitten. Daar brengen we al genoeg uren door. In de gevangenis is elke vorm van positiviteit trouwens meer dan welkom.’
En dus besloot S. zich in te schrijven voor Tralies uit de weg, een reeks van zes gespreksavonden tussen zes vrijwilligers van buiten en evenveel gevangenen. ‘Ik had geen speciale verwachtingen’, vertelt hij. ‘Wel was ik nieuwsgierig naar de mensen die naar de gevangenis zouden komen. Wie wil er nu tijd voor ons maken? En vrijwillig dan nog wel?’
‘Nerveus zijn, was voor niets nodig. De sfeer was gemoedelijk en de gesprekken verliepen spontaan. Omdat ik slecht ben in namen onthouden, verzon ik enkele trucjes. De ene vrijwilliger droeg een bril, de andere hield van voetbal, terwijl nog iemand anders al wat van leeftijd was. Ik was telkens trots op mezelf toen ik me een week later de namen nog kon herinneren.’
‘Wat me vooral verwonderde was dat iedereen ‘normaal’ en vriendelijk tegen me deed. Dat is in een gevangenis niet vanzelfsprekend. Meestal moet je je verantwoorden of word je op de vingers getikt van zodra je een regel overtreedt. In de gevangenis is het vaak ook ‘ieder voor zich’. De luidste roeper of de sterkste wint. Soms verlopen de zaken ook niet altijd even eerlijk. Indien mogelijk probeer ik in de gevangenis te werken. Zo ben ik niet enkel even van cel weg maar kan ik me af en toe iets extra veroorloven, zoals wat meer belwaarde, een chocoladereep of wat tabak.’
Weten dat er buiten de gevangenis mensen zijn die in ons geloven en ons niet opgeven, is hoopvol.
Via familie van zijn celgenoot heeft S. zicht op een appartementje wanneer hij vrijkomt. Dat iemand zoiets voor me doet, vind ik ongelofelijk’, zegt S. met tranen in de ogen. ‘Dat vergeet ik nooit… Zo zie je maar dat het niet enkel kommer en kwel in de gevangenis is hé. En dat er ook onder gedetineerden een vorm van solidariteit heerst. Sinds mijn celgenoot vrij is, bel ik hem bijna elke dag. Hij stelt het voorlopig goed en dat geeft me hoop.’
‘Weet je, ik word er niet jonger op. Ik wil niet langer blijven steken in het verleden en nog iets van mijn leven maken. Weten dat er buiten de gevangenis mensen zijn die in ons geloven en ons niet opgeven, is hoopvol. De vrijwilligers die ons kwamen bezoeken, luisterden naar ons met een positieve ingesteldheid. Tijdens de gesprekken viel het me ook op dat we meer op elkaar lijken dan we beseffen. Ook buiten de gevangenis worden mensen geconfronteerd met onmacht en onrecht, zijn ze gefrustreerd of maken ze zich zorgen. En ook zij hebben al eens een slechte dag of week. En toch stonden ze er, elke week opnieuw. Zes weken lang had ik iets om naar uit te kijken. Ik vind het ik jammer dat de reeks niet langer duurt en ik hoop iedereen nog een keer terug te zien, binnen of buiten. Wie weet?!’
Hoe komt deze getuigenis bij jou over/binnen?
Reageren kan via liselotte.anckaert@otheo.be