Wil je meer vogels en vlinders in je tuin? Kweek dan insecten en rupsen – 7 tips
Steeds meer mensen verlangen naar een tuin vol leven: een plek waar vlinders en vogels vrolijk komen en gaan. Maar diezelfde mensen voelen soms angst of afkeer voor kruipende diertjes: kevers, bladluizen, rupsen, engerlingen, pissebedden, duizendpoten, slakken… Als die beestjes dan ook nog eens knabbelen aan onze planten, dan worden we misschien verleid om te grijpen naar bestrijdingsmiddelen.
Toch was elke vlinder ooit een rups. En in de ecologische voedselpiramide vormen insecten een onmisbare schakel tussen planten en hogere dieren zoals vogels. Een nest koolmezen of pimpelmezen eet tussen de 5.000 en 10.000 rupsen in de periode dat de jongen worden grootgebracht. Ook veel zaadetende vogels, zoals mussen, vinken en groenlingen, voeden hun jongen met insecten omdat die meer eiwitten leveren die nodig zijn voor de groei.
Wie meer leven in de tuin wil, kan het beste stoppen met bestrijden en zorgen dat er juist méér kruipt en knabbelt aan de planten.
Insecten kweken is de boodschap. Een insectenhotel kan een laatste stap zijn, maar zorg eerst voor voldoende voedsel in je tuin met levende én dode planten.
Met deze 7 tips geef je het leven in je tuin een flinke duw in de rug.
Tip 1. Plant meer bloemen
Bloemen leveren nectar en stuifmeel aan bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen. Hoe meer bloemen, hoe meer voedsel voor vliegende insecten. In veel tuinen is de eerste en belangrijkste stap om meer bloemen te planten.
Gewoon beginnen! Als je dat wil, dan kan je gaandeweg met deze tips de finesses onder de knie krijgen.
- Zorg voor een grote variatie aan bloemvormen: composieten, vlinderbloemigen, lipbloemigen, schermbloemigen, klokjes…
- Vervang kort gazon door bloemrijk grasland of een bloemenborder. Lees meer: Van gazon naar biodiverse tuin zonder spuiten en spitten
- Verleng de bloeiboog met vroege en late bloeiers. Vroege bloeiers zijn onder andere hazelaar, kornoelje, sleedoorn, longkruid, speenkruid, viooltje, bosanemoon en diverse bolgewassen. Late bloeiers zijn onder andere asters, dropplant, duizendblad, hemelsleutel en klimop.
- Vergeet niet dat bloeiende struiken en bomen in een klap een heel groot volume aan bloemen leveren. Denk bijvoorbeeld aan vlier, sporkehout, kornoelje, Europese vogelkers, meidoorn, liguster, hazelaar, sleedoorn, linde.
- Kies bij rozen en dahlia's voor open bloemen waarbij het hart zichtbaar is. Liever geen gevulde bloemen, want dan kunnen bestuivers niet bij de nectar en het stuifmeel.
- Op imkerpedia kan je opzoeken welke bloemen drachtplanten zijn en hoeveel nectar en stuifmeel ze leveren aan onze honingbij. Dat geeft een idee over hun voedingswaarde. Toppers zijn bijvoorbeeld sporkehout, paardebloem, zwarte bes, aalbes, kruisbes, linde, spaanse aak, geitenbaard, herfstaster, kastanje, korenbloem, cosmea, krokus, blauwe zeedistel, muurbloem, klimop, hulst, kamperfoelie, grote kattenstaart, marjolein en rotsooievaarsbek.
- Laat bloemen zaad vormen en laat gedroogde stengels staan. De zaden zijn een belangrijke voedselbron voor vogels zoals putters.
Tip 2. Zorg voor een hoge plantdichtheid
Een hoge plantdichtheid leidt tot een spectaculaire toename van ongewervelde dieren die op de bodem leven, zo bleek uit een vierjarige studie van de Royal Horticultural Society. De beplanting moet na drie jaar een aaneengesloten bladerdek vormen, zodat de bodem niet meer zichtbaar is.
Denk aan gelaagdheid: plant kruidachtigen onder struiken, bodembedekkers onder bomen. Enkele kale, zonnige plekken zijn nuttig voor spinnen en bodemnestelende bijen: 70% van de wilde bijensoorten in Vlaanderen nestelt ondergronds.
Tip 3. Kies inheemse planten
Veel insecten zijn voor hun voedsel of voortplanting afhankelijk van een of enkele specifieke plantensoorten. We noemen die planten waardplanten voor die bepaalde diersoort. Veel van de insecten die hier bij ons leven zijn afhankelijk van planten die hier van nature voorkomen, de zogenaamde inheemse planten.
Wil je veel insecten in je tuin, dan zijn inheemse planten onmisbaar. Daar moet je wel wat extra moeite voor doen, want in de tuincentra vind je hoofdzakelijk exotische planten die van andere werelddelen komen. Aan meer inheemse planten kom je door planten te ruilen, via verenigingen (VELT), op beurzen en via gespecialiseerde aanbieders.
Soms komen inheemse planten spontaan naar je tuin! Identificeer ze met de app ObsIdentify en geef ze een geschikte plaats.
Je kan opzoeken of een plantensoort inheems is op Ecopedia. Zoek je inspiratie voor nieuwe planten, dan is deze verkorte lijst van inheemse planten op Ecopedia (pdf) een goed startpunt.
Tip 4. Koester je dode planten
Dode planten zijn niet gewoon afval waar je zo snel als mogelijk vanaf moet zien te raken. Ze zijn van levensbelang voor insecten: als voedselbron, schuilplek, nestplaats én overwinteringsplek. Op deze verschillende manieren kan je dode plantenresten inzetten voor insecten in je tuin:
- Laat ze staan. Dit is de gemakkelijkste manier en ze zijn prachtig in de winter, bedekt met rijp. Dode bomen zijn topbiotopen voor kevers, vogels en paddenstoelen. Lees meer: Ruim je tuin deze herfst eens niet op
- Versnipper ze en gebruik ze als mulch om de bodem te bedekken en het bodemleven te voeden. Lees meer: Mulchen is een must in elke tuin: wat is het, hoe doe je het, zo word je een pro
- Knip holle stengels in stukken van gelijke lengte, bind ze samen en hang ze op een droge plek. Ze bieden nestgelegenheid voor solitaire bijen en een overwinterplaats voor lieveheersbeestjes. Planten met holle stengels zijn onder andere wilde venkel, wilde peen, (rode) zonnehoed, kattenkruid, dropplant, monnikskap.
- Begin met composteren. Een compostvat is niet alleen een handige manier om tuinafval te recycleren, het is ook een kweekbak voor veel soorten diertjes: wormen, pissebedden, mijten, naaktslakken, springstaarten, fruitvliegjes, mieren, nematoden… Lees meer: Nooit meer groenafval ~ de complete kringloopgids voor je tuin
- Verwerk snoeihout tot een takkenril of takkenwal, of vlecht twijgen tot een afscheiding. Gebruik dikke takken om een paadje af te boorden, een boomstronk als zitbank of boomschijven als stapstenen. Dood hout is van onschatbare waarde voor paddenstoelen, insecten, vogels, egels, kleine zoogdieren en kevers.
Tip 5. Zorg voor water in je tuin
Geen enkele ingreep boost de biodiversiteit van een tuin meer dan een kleine vijver. Niet alleen kunnen vogels, vlinders, bijen en hommels er komen drinken. Je tuin wordt ineens ook een gastvrij oord voor waterdieren als salamanders, kikkers, padden, libellen en ongewervelde waterdieren.
Kies voor een vijver met veel waterplanten, maar zonder vissen. Vissen eten het andere waterleven op en overbemesten het vijverwater met hun uitwerpselen waardoor je algengroei krijgt.
Als een vijvertje te hoog gegrepen is, begin dan met een kuip of zelfs een schaal als vogelbadje. Elk begin is goed.
Tip 6. Plant struiken, bomen en hagen
Bloeiende bomen en struiken leveren in één klap massa's voedsel aan bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen. Dragen ze ook bessen, dan bieden ze ook rechtstreeks voedsel aan vogels, denk maar aan lijsterbes, vlier, hulst, kornoelje, krentenboompje, sleedoorn en meidoorn.
Veel vogels verkiezen dichte struiken met stekels – bijvoorbeeld wilde peer, sleedoorn, duindoorn, meidoorn en hulst – als schuilplaats of om hun nest te maken. Hoge bomen dienen dan weer als veilige uitkijkpost, of als zangpost voor bijvoorbeeld de merel.
Vooral oude bomen worden bovendien een habitat voor talloze insecten. In holtes en schorsspleten vinden kevers, bijen, mieren, torren en andere soorten voedsel, beschutting en broedplaatsen. Ook dood hout is letterlijk levend hout omdat het boordevol biodiversiteit zit. Daarom kan je dode bomen het beste gewoon laten staan, eventueel met gesnoeide takken voor de veiligheid. Staand dood hout biedt nestgelegenheid voor holenbroeders zoals spechten, mezen, boomklevers en uilen, en ook voor vleermuizen en boommarters.
Tip 7. Plaats nestkastjes en een insectenhotel
Biedt je tuin voldoende voedsel, dan vinden vogels en insecten vanzelf hun weg. Nestkastjes en insectenhotels zijn de 'finishing touch'.
Een nestkastje ophangen doe je typisch in de winter. Hier enkele tips om rekening mee te houden.
Je kan een nestkastje zelf maken, met een goed plan en wat handigheid. Een insectenhotel maken is eenvoudiger. Insecten zijn minder veeleisend. Laat je online inspireren en gebruik wat je hebt liggen. Zo ben je enkele winteravonden zoet.
Een tuin vol fladderend leven begint bij vertrouwen.
Een tuin vol fladderend leven begint bij vertrouwen: dat je tuin zichzelf in balans kan brengen en dat wat kruipt, het begin is van wat fladdert.
Besef dat het aantal vogels en insecten wereldwijd daalt. Koester dus geen te hoge verwachtingen. Veel hangt af van de biodiversiteit die je omgeving nu al biedt. Door je tuin gastvrij te maken voor insecten, rupsen en ander klein grut, wordt jouw tuin een stapsteen in een levend netwerk waarvan ook jij mag meegenieten.













