Commentaar Bijbellezing 29/03: De draagkracht van de ezels - Valérie Kabergs
Evangelie: Matteüs 26, 14 - 27, 66
Het passie-evangelie is te lang om in dit artikel te publiceren. Lees het passieverhaal van Matteüs er op na in de Willibrordvertaling (1995), in de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) of in de Bijbel in Gewone Taal (2014). In het Lectionarium voor zon- en feestdagen (A-cyclus) vindt u het onder nummer 58.
Commentaar Valérie Kabergs: ‘De draagkracht van de ezels’
Het is moeilijk om het welbekende verhaal over de intocht van Jezus in Jeruzalem elk jaar met nieuwe ogen te bekijken. Toch ontdekte ik er twee verfrissende elementen in. Een vergelijking met het Oude Testament hielp me daarbij. In het tweede boek Samuël kan je namelijk een spiegelverhaal lezen van het Evangelie op Palmzondag.
In het boek Samuël gaat het om een uittocht in plaats van een intocht in Jeruzalem. Niet Jezus, maar koning David staat hier centraal. Net als Jezus - zo vaak Zoon van David genoemd - bevindt David zich in een hele penibele situatie. Davids eigen zoon, Absalom, wil immers de koninklijke macht van zijn vader overnemen. Uiteindelijk moet David zelfs vluchten uit Jeruzalem om zijn leven niet te verliezen. Ook Jezus wordt bedreigd door zijn eigen familie, zou je kunnen zeggen, aangezien enkele joden het op hem gemunt hebben. Net als bij David is er een strijd om de macht van het koningschap aan de orde. Anders dan koning David slaat Jezus echter niet op de vlucht. Integendeel, hij kijkt zijn lot in de ogen en trekt recht naar het hart van Jeruzalem, de hoofdstad van de joden.
En dan zijn er de ezels. Koning David krijgt ze aangereikt van een trouwe dienaar om zijn zware tocht te helpen dragen. Het is opmerkelijk dat ook Matteüs - anders dan de drie overige evangelisten - meer dan één ezel vermeldt. Jezus vraagt zijn leerlingen om zowel een ezelin als haar veulen mee te brengen. Waarom zou Jezus twee ezels nodig hebben? Misschien om hem ook te verzekeren van een voortdurende draagkracht, nu hij zo dicht bij zijn lijdensweg staat? Vaak ziet men in de twee ezels een verwijzing naar twee volkeren: de joden en de heidenen. Matteüs zou daarmee benadrukken dat Jezus zich zowel tot joden als andere volkeren blijft richten en dat zijn boodschap van verlossing universeel is. Om die verlossing – Hosanna (‘Verlos ons, alstublieft’) – smeken de omstaanders ook onophoudelijk. Het is geen vreugderoep, maar een roep om hulp.
Het mag duidelijk zijn dat Jezus aan die hulpvraag tegemoet wil komen en zich tot het einde toe blijft geven, zowel aan mensen die hem nog niet zo goed kennen als aan zijn eigen volk. Zelfs als er in deze laatste categorie tussen zitten die de Zoon van David uiterst vijandig gezind zijn. Op wereldvlak valt er van een dergelijke geweldloosheid weinig te merken. Maar het gebeurt wel in vele kleine kringen. En gelukkig zijn er ook de ezels: mensen die anderen helpen dragen wat anders niet te dragen zou zijn. Niet beseffend misschien dat ze daarmee bijna letterlijke dragers zijn van Christus zelf. Zo’n drager wil ik ook wel zijn. Nog niet zo dapper als Jezus zelf, in het hart van de strijd, maar wel heel dicht bij hem. En dan is het maar de vraag wie wie eigenlijk aan het dragen is.
Valérie Kabergs is redactrice bij Otheo.
