Commentaar Bijbellezing 11/01: Laat het nu zo zijn - Valerie Kabergs
Evangelie: Matteüs 3, 13-17 — ‘Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde?’
In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. Maar Johannes wilde Hem tegenhouden met de woorden: ‘Ik heb úw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?’ Jezus antwoordde: ‘Laat het nu zijn; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.’ Toen liet Johannes Hem toe. Nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen. En een stem uit de hemel sprak: ‘Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.’
Commentaar Valérie Kabergs: ‘Laat het nu zo zijn’
Het Evangelie van deze zondag verhaalt een gekende passage: het doopsel van Jezus door Johannes de Doper. Jezus komt zelf naar Johannes toe. In het begin staat Johannes er weigerachtig tegenover om Jezus te dopen. Hij zou liefst het omgekeerde zien gebeuren. Toch dringt Jezus erop aan dat Johannes hem zou dopen.
Lees ook
Johannes wordt eigenlijk tot overgave gedwongen. De passieve werkwoorden vallen op: ‘laat het zijn’; ‘hij liet hem toe’. Johannes wordt uitgedaagd om zijn eigen keuze los te laten en mee te stappen in het plan van God. Ook Jezus trouwens. Jezus ervaart zijn doopsel als iets wat past om alle gerechtigheid te vervullen. Anders dan andere mensen was Jezus zonder zonde geboren en behoefde hij geen doopsel om zich daarvan te bekeren. Toch was de uiterlijke onderdompeling met water nodig om zijn innerlijke toewijding aan God te bekrachtigen. Op het moment dat zowel Jezus als Johannes zich toevertrouwen aan wat God van hen vraagt, laat God zich ook zelf horen. Het is meteen de eerste keer dat Jezus publiekelijk Zoon van God wordt genoemd.
Soms denken we van onszelf dat we de juiste keuzes maken, ook al lijken ze niet te leiden naar geluk en voelen we God ver weg. Dit Evangelie leert me dat het belangrijk is om de eigen redeneringen soms los te durven laten. Iemand anders weet het misschien wel écht beter op bepaalde momenten in je leven. Dat kan een collega, vriend of familielid zijn. Of het kan Gods eigen onbemiddelde stem zijn daar ergens diep in je hart. Op zo’n moment klopt Jezus bij ons aan — net als bij Johannes destijds — met de vraag om in zijn doopervaring te willen delen en te horen klinken dat ook wij Gods welbeminde zoon of dochter zijn. We worden gevraagd om los te laten zodat God ruimte krijgt; om voor één keer te laten zijn wat we zo hardvochtig anders zouden willen zien. Een dergelijke houding klinkt niet populair in een samenleving waarin we vooral worden aangemoedigd om op onszelf te vertrouwen. Toch kan net die openheid voor de a/Ander ons dichter dan ooit bij onszelf brengen.Valérie Kabergs is redactrice voor Otheo.
